Art. 3 Verordening (EEG) nr. 3887/92
Het in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde identificatiesysteem wordt zo opgezet dat het betrekking heeft op de percelen landbouwgrond. De Lid-Staten kunnen besluiten te werken met een andere eenheid dan een perceel landbouwgrond zoals een kadastraal omschreven perceel of een blok cultuurgrond. In dit geval nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te garanderen dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd, met name door te verlangen dat de steunaanvragen "oppervlakten" vergezeld gaan van de door de bevoegde instanties bepaalde gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten.