Art. 194 Verordening (EEG) nr. 2913/92
1. De storting van contant geld geschiedt in de valuta van de Lid-Staat waar de zekerheidstelling wordt geëist.
Met storting van contant geld worden gelijkgesteld:
- het deponeren van een cheque waarvan de betaling door de instelling waarop deze cheque is getrokken, wordt gegarandeerd op gelijk welke voor de douaneautoriteiten aanvaardbare wijze;
- het deponeren van elk ander, door genoemde autoriteiten als betaalmiddel erkend waardepapier.
2. De storting van contant geld of het deponeren van daarmee gelijkgestelde waardepapieren dient te geschieden overeenkomstig de voorschriften van de Lid-Staat waar de zekerheidstelling wordt geëist.