Art. 189 Verordening (EEG) nr. 2913/92

Verordening (EEG) nr. 2913/92

1. Indien, overeenkomstig de douanewetgeving, de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld om de betaling van een douaneschuld te waarborgen, dient deze zekerheid te worden gesteld door de schuldenaar of door de persoon die schuldenaar kan worden.

2. De douaneautoriteiten kunnen voor een zelfde douaneschuld slechts één zekerheidstelling eisen.

Indien een zekerheid wordt gesteld in het kader van een douaneregeling die voor bepaalde goederen in verscheidene Lid-Staten kan worden gebruikt, is deze zekerheid, binnen de grenzen van de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen, in de betrokken Lid-Staten geldig.

3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat zekerheid wordt gesteld door een derde in plaats van door de persoon van wie de zekerheidstelling was geëist.

4. Geen zekerheidstelling is vereist wanneer de schuldenaar of de persoon die schuldenaar kan worden een overheidslichaam is.

5. De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot zekerheidstelling wanneer het bedrag van de te stellen zekerheid niet meer dan 500 ecu bedraagt.