Art. 8 Verordening (EEG) nr. 2408/92
1. Deze verordening laat het recht van een Lid-Staat onverlet om de verdeling van het verkeer tussen de luchthavens van een luchthavensysteem zonder discriminatie op grond van nationaliteit of identiteit van de luchtvaartmaatschappij te verdelen.
2. De uitoefening van vervoersrechten is onderworpen aan de bekendgemaakte communautaire, nationale, regionale of plaatselijke voorschriften betreffende de veiligheid, de bescherming van het milieu en de toewijzing van "slots".
3. Op verzoek van een Lid-Staat of uit eigen beweging onderzoekt de Commissie hoe de leden 1 en 2 worden toegepast en zij besluit binnen één maand na ontvangst van een verzoek en na overleg met het in artikel 11 genoemde comité of de Lid-Staat de maatregel mag blijven toepassen. De Commissie deelt haar besluit mede aan de Raad en aan de Lid-Staten.
4. Iedere Lid-Staat kan het besluit van de Commissie binnen één maand aan de Raad voorleggen. De Raad kan in uitzonderlijke omstandigheden binnen één maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
5. Wanneer een Lid-Staat besluit een nieuw luchthavensysteem te vormen of een bestaand luchthavensysteem te wijzigen, stelt hij de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan in kennis. De Commissie gaat na of de luchthavens samen de luchtverbindingen van dezelfde stad of agglomeratie verzorgen en maakt vervolgens een herziene bijlage II bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.