Art. 3 Verordening (EEG) nr. 2408/92

Verordening (EEG) nr. 2408/92

1. Met inachtneming van deze verordening wordt door de betrokken Lid-Staat (Lid-Staten) aan communautaire luchtvaartmaatschappijen toegestaan om vervoersrechten op routes in de Gemeenschap uit te oefenen.

2. In afwijking van lid 1 hoeft een Lid-Staat vóór 1 april 1997 geen cabotagerechten binnen zijn grondgebied toe te staan aan communautaire luchtvaartmaatschappijen waaraan een andere Lid-Staat een vergunning heeft verleend, tenzij:

i) de verkeersrechten worden uitgeoefend op een luchtdienst die geregeld is als een uitbreiding van een dienst uit, of als een dienst die voorafgaat aan een dienst naar, de Staat van registratie;

ii) de luchtvaartmaatschappij voor deze cabotagedienst niet meer dan 50 % gebruikt van haar seizoencapaciteit op dezelfde dienst waarvan de cabotagedienst een uitbreiding of een voorafgaande dienst is.

3. Een luchtvaartmaatschappij die een cabotagedienst exploiteert overeenkomstig lid 2, verstrekt op verzoek aan de geinvolveerde Lid-Staat of Lid-Staten alle nodige inlichtingen voor de toepassing van de bepalingen van dat lid.

4. In afwijking van lid 1 kan een Lid-Staat, zonder discriminatie op grond van de nationaliteit van de eigenaar en de identiteit van de luchtvaartmaatschappij, ongeacht of de luchtvaartmaatschappij de desbetreffende route reeds exploiteert of nog niet exploiteert, vóór 1 april 1997 de toegang tot de routes op zijn grondgebied reguleren voor luchtvaartmaatschappijen waaraan hij overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2407/92 een vergunning heeft verleend, zonder anderszins afbreuk te doen aan de communautaire wetgeving en met name de mededingingsregels.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen