Art. 9 Verordening (EEG) nr. 2408/92
1. Bij ernstige congestie- en/of milieuproblemen kan de verantwoordelijke Lid-Staat, met inachtneming van dit artikel, voorwaarden opleggen en de uitoefening van verkeersrechten beperken of weigeren, met name wanneer andere takken van vervoer een bevredigend niveau van dienstverlening kunnen bieden.
2. Maatregelen van een Lid-Staat overeenkomstig lid 1:
- mogen niet discrimineren op grond van de nationaliteit of de identiteit van de luchtvaartmaatschappijen;
- hebben een beperkte geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar, waarna zij opnieuw worden bezien;
- mogen niet ingaan tegen de doelstellingen van deze verordening;
- mogen de concurrentie tussen luchtvaartmaatschappijen niet vervalsen;
- mogen niet restrictiever zijn dan nodig is om de problemen op te lossen.
3. Wanneer een Lid-Staat maatregelen overeenkomstig lid 1 nodig acht, stelt hij de andere Lid-Staten en de Commissie onder opgave van adequate redenen ten minste drie maanden vóór de inwerkingtreding van de maatregelen daarvan in kennis. De maatregelen mogen worden uitgevoerd, tenzij een betrokken Lid-Staat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving de maatregelen aanvecht of de Commissie deze overeenkomstig lid 4 aan een nader onderzoek onderwerpt.
4. Op verzoek van een Lid-Staat of uit eigen beweging onderzoekt de Commissie de in lid 1 bedoelde maatregelen. Wanneer de Commissie de maatregelen binnen één maand nadat zij overeenkomstig lid 3 ervan in kennis is gesteld, aan een onderzoek onderwerpt, deelt zij tegelijkertijd mede of de maatregelen tijdens het onderzoek geheel of gedeeltelijk mogen worden uitgevoerd, in het bijzonder rekening houdend met de mogelijkheid van onomkeerbare gevolgen. Na raadpleging van het comité van artikel 11 besluit de Commissie, één maand nadat zij alle nodige informatie heeft ontvangen, of de maatregelen passend zijn en in overeenstemming zijn met deze verordening en niet anderszins in strijd zijn met de Gemeenschapswetgeving. De Commissie deelt haar besluit mede aan de Raad en aan de Lid-Staten. Zolang zij geen besluit heeft genomen, kan de Commissie besluiten tot tijdelijke maatregelen, waaronder de gehele of gedeeltelijke schorsing van bedoelde maatregelen, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de mogelijkheid van onomkeerbare gevolgen.
5. In afwijking van de leden 3 en 4 kan een Lid-Staat de nodige maatregelen nemen om plotselinge kortstondige problemen op te lossen, mits deze maatregelen te verenigen zijn met lid 2. De Commissie en de Lid-Staat of Lid-Staten worden onverwijld van deze maatregelen in kennis gesteld, onder opgave van adequate redenen. Indien de problemen die deze maatregelen noodzakelijk maken, langer dan 14 dagen voortduren, moet de Lid-Staat de Commissie en de andere Lid-Staten daarvan in kennis stellen en kan hij, met instemming van de Commissie, de maatregelen verlengen voor nieuwe periodes van telkens ten hoogste 14 dagen. Op verzoek van de geinvolveerde Lid-Staat of Lid-Staten of uit eigen beweging kan de Commissie deze maatregelen schorsen indien zij niet voldoen aan de leden 1 en 2 of anderszins in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht.
6. Elke Lid-Staat kan de besluiten die de Commissie neemt op grond van lid 4 of lid 5, binnen één maand aan de Raad voorleggen. De Raad kan in uitzonderlijke omstandigheden binnen één maand met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
7. Wanneer een overeenkomstig dit artikel door een Lid-Staat genomen besluit de activiteiten van een communautaire luchtvaartmaatschappij op een intracommunautaire route beperkt, gelden op die route voor alle communautaire luchtvaartmaatschappijen dezelfde voorwaarden of beperkingen. Wanneer het besluit inhoudt dat nieuwe of bijkomende diensten worden geweigerd, worden alle verzoeken van communautaire luchtvaartmaatschappijen om nieuwe of bijkomende diensten op die route eveneens geweigerd.
8. Onverminderd artikel 8, lid 1, en tenzij de andere geinvolveerde Lid-Staat (Lid-Staten) daarmee instemt (instemmen), staat een Lid-Staat een luchtvaartmaatschappij niet toe om:
a) een nieuwe dienst te beginnen of
b) de frequentie op een bestaande dienst te verhogen
tussen een specifieke luchthaven op zijn grondgebied en een andere Lid-Staat zolang het een luchtvaartmaatschappij, waaraan die andere Lid-Staat een vergunning heeft verleend, op basis van de in artikel 8, lid 2, bedoelde voorschriften inzake de toewijzing van "slots", niet is toegestaan een nieuwe dienst te beginnen of de frequentie te verhogen op een bestaande dienst naar de betrokken luchthaven, in afwachting van de aanneming door de Raad en de inwerkingtreding van een verordening betreffende een gedragscode inzake de toewijzing van "slots", gebaseerd op het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit.