Art. 12 Verordening (EEG) nr. 2081/92
1. Onverminderd de bepalingen van internationale overeenkomsten kan een landbouwprodukt of een levensmiddel uit een derde land voor toepassing van deze verordening in aanmerking komen, mits:
- het derde land garanties kan bieden die gelijk zijn aan of gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 4 worden bedoeld;- in het derde land controleregelingen bestaan welke gelijkwaardig zijn met die welke in artikel 10 zijn vastgesteld;
- het derde land bereid is de overeenkomstige landbouwprodukten of levensmiddelen uit de Gemeenschap een bescherming te bieden welke gelijkwaardig is met die in de Gemeenschap.
2. Indien een beschermde benaming van een derde land een homoniem is van een beschermde benaming uit de Gemeenschap, wordt voor de aanvaarding van de registratie naar behoren rekening gehouden met de lokale en traditionele gebruiken en met het reële gevaar voor verwarring.
Dergelijke benamingen mogen slechts worden gebruikt indien het land van oorsprong van het produkt duidelijk en goed leesbaar op het etiket wordt vermeld.