Art. 15 Richtlijn 92/65/EEG

Richtlijn 92/65/EEG

1. Wanneer een Lid-Staat van oordeel is dat hij geheel of gedeeltelijk vrij is van een van de ziekten in bijlage B waarvoor de in deze richtlijn bedoelde dieren vatbaar zijn, stelt hij de Commissie in het bezit van de nodige bewijsstukken. De Lid-Staat preciseert met name:

- de aard van de ziekte en de ziektegeschiedenis op zijn grondgebied,

- de resultaten van de in het kader van een bewakingsprogramma uitgevoerde tests, gebaseerd op een serologisch, microbiologisch, pathologisch of epidemiologisch onderzoek,

- sinds wanneer er voor deze ziekte aangifteplicht bij de bevoegde autoriteiten bestaat,

- de looptijd van het bewakingsprogramma,

- eventueel de periode waarin inenting tegen de ziekte is verboden en het geografische gebied waarvoor dat verbod geldt,

- de voorschriften voor de controle op de afwezigheid van de ziekte.

2. Na onderzoek van de in lid 1 bedoelde bewijsstukken legt de Commissie een besluit inzake de goed- of afkeuring van het door de Lid-Staat ingediende programma voor aan het Permanent Veterinair Comité. Indien het programma wordt aanvaard, worden de algemene of beperkte aanvullende garanties die in het handelsverkeer kunnen worden geëist, vastgesteld volgens de procedure van artikel 26. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert.

In afwachting van dit besluit mag de betrokken Lid-Staat voor het handelsverkeer de desbetreffende eisen handhaven die nodig zijn voor het behoud van zijn status.

3. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van de in lid 1 genoemde bewijsstukken. In het licht van de medegedeelde informatie kunnen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties volgens de procedure van artikel 26 worden gewijzigd of ingetrokken.