Art. 11 Richtlijn 92/65/EEG
1. De Lid-Staten zien erop toe dat, onverminderd de ter toepassing van de artikelen 21 en 23 te nemen besluiten, slechts sperma, eicellen en embryo's in het handelsverkeer worden gebracht die voldoen aan de voorwaarden van de leden 2, 3 en 4.
2. Sperma van schapen, geiten en paardachtigen moet, onverminderd eventuele criteria die moeten worden nageleefd voor opneming van paardachtigen in het stamboek van bepaalde specifieke rassen:
- met het oog op kunstmatige inseminatie gewonnen en behandeld zijn in een station of centrum dat, wat betreft de gezondheidssituatie, overeenkomstig bijlage D, hoofdstuk I, is erkend of, wat betreft schapen en geiten, in afwijking van het voorgaande, in een bedrijf dat voldoet aan de eisen van Richtlijn 91/68/EEG;
- gewonnen zijn bij dieren die voldoen aan de voorwaarden van bijlage D, hoofdstuk II (toelating en routinecontrole van de dieren);
- gewonnen, behandeld en bewaard zijn overeenkomstig de bepalingen van bijlage D, hoofdstuk III;
- tijdens het vervoer naar een andere Lid-Staat vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat naar een model dat overeenkomstig de procedure van artikel 26 moet worden vastgesteld.
3. Eicellen en embryo's van schapen/geiten, varkens en paardachtigen moeten:
- gewonnen zijn door een door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat erkend team bij vrouwelijke donordieren die voldoen aan de voorwaarden van bijlage D, hoofdstuk IV, en vervolgens in een aangepast laboratorium behandeld zijn;
- behandeld en opgeslagen zijn overeenkomstig de bepalingen van bijlage D, hoofdstuk III;
- tijdens het vervoer naar een andere Lid-Staat vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat naar een model dat overeenkomstig de procedure van artikel 26 moet worden vastgesteld.
Sperma dat voor de inseminatie van de vrouwelijke donordieren wordt gebruikt, moet wat schapen, geiten en paardachtigen betreft, voldoen aan de bepalingen van lid 2 en, wat varkens betreft, aan de bepalingen van Richtlijn 90/429/EEG. Eventuele aanvullende garanties kunnen volgens de procedure van artikel 26 worden vastgesteld.
4. Vóór 31 december 1997 dient de Commissie een verslag in met eventuele passende voorstellen, over de toepassing van dit artikel, met name in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.