Art. 10
1. De Lid-Staten zien erop toe dat een verbod wordt ingesteld op het handelsverkeer van fretten, nertsen en vossen die afkomstig zijn van een bedrijf of in contact zijn geweest met dieren van een bedrijf waar in de laatste zes maanden rabies is uitgebroken of vermoedelijk is uitgebroken, voor zover deze dieren niet systematisch zijn ingeënt.
2. Om te worden toegelaten tot het handelsverkeer tussen Lid-Staten, met uitzondering van het handelsverkeer tussen de in lid 3 bedoelde Lid-Staten, moeten katten en honden aan de volgende eisen voldoen:
a) voor dieren die ouder zijn dan drie maanden geldt dat zij:
- op de dag van verzending uit het bedrijf geen enkel ziekteverschijnsel, en met name geen verschijnselen van voor de soort besmettelijke ziekten, mogen vertonen,
- getatoeëerd moeten zijn of door middel van een ingeplante chip geïdentificeerd moeten zijn op een volgens de procedure van artikel 26 vast te stellen wijze,
- na de leeftijd van drie maanden tegen rabies moeten zijn ingeënt, met jaarlijkse herhalingsinenting of met een herhalingsinenting volgens een door de Lid-Staat van verzending voor dat vaccin toegestane frequentie, met een geïnactiveerd vaccin van ten minste één internationale antigeen-eenheid (WHO), dat gemeten is overeenkomstig de effectiviteitstest volgens de door de Europese farmocopee beschreven methode en dat volgens de procedure van artikel 26 is erkend.
De inenting moet worden gecertificeerd door een officiële dierenarts of door de dierenarts die belast is met het toezicht op het bedrijf van herkomst en aan wie de bevoegde autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen. Op het vaccinatiebewijs moeten de naam van het vaccin en het partijnummer worden vermeld (zo mogelijk met een zelfklevend vignet),
- indien het honden betreft, ingeënt moeten zijn tegen de ziekte van Carré,
- vergezeld moeten gaan van een individueel paspoort aan de hand waarvan het dier duidelijk kan worden geïdentificeerd en waarin de data van inenting zijn vermeld en/of van een certificaat volgens het model van bijlage E, aangevuld met het volgende attest dat moet worden ingevuld door een officiële dierenarts of door de dierenarts die belast is met het toezicht op het bedrijf van herkomst en aan wie de bevoegde autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen:
"Ondergetekende, . . . . . ., verklaart dat de in dit certificaat bedoelde katten/honden voldoen aan de eisen van artikel 10, lid 2, onder a) en b), en lid 3, onder b), van Richtlijn 92/65/EEG (a) en afkomstig zijn van een bedrijf waar gedurende de laatste zes maanden geen enkel geval van rabies is geconstateerd.
(a) Doorhalen wat niet van toepassing is.";
b) voor dieren die jonger zijn dan drie maanden geldt dat zij:
- moeten voldoen aan de eisen onder a), eerste en vijfde streepje,
- niet afkomstig mogen zijn van een bedrijf ten aanzien waarvan voor het verkeer van dieren om redenen in verband met de diergezondheid beperkingsmaatregelen gelden,
- geboren moeten zijn op het bedrijf van herkomst en sedert hun geboorte in gevangenschap moeten zijn gehouden.
3. Met ingang van 1 juli 1994 moet, in afwijking van lid 2, aan de onderstaande voorwaarden worden voldaan om in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland niet uit deze landen afkomstige katten en honden in de handel te brengen:
a) in het algemeen moeten de katten en honden
i) afkomstig zijn van een geregistreerd bedrijf, waarvan de bevoegde autoriteit de registratie moet schorsen wanneer niet langer aan de voorwaarden van artikel 4 wordt voldaan;
ii) op de dag van verzending uit bovenbedoeld bedrijf geen enkel verschijnsel van een besmettelijke ziekte vertonen;
iii) voorzien zijn van een identificatiesysteem op een volgens de procedure van artikel 26 vast te stellen wijze;
iv) geboren zijn op het bedrijf en daar in gevangenschap zijn gehouden sedert de geboorte zonder in contact te komen met voor rabies vatbare wilde dieren;
v) indien het honden betreft, ingeënt zijn tegen de ziekte van Carré;
vi) vervoerd zijn in een daartoe door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van verzending erkend vervoermiddel;
vii) vergezeld gaan van een individueel inentingsboekje aan de hand waarvan het dier en de herkomst ervan duidelijk kunnen worden geïdentificeerd en waarin de data van inenting zijn vermeld, alsmede van een certificaat volgens het model dat moet worden opgesteld volgens de procedure van artikel 26 en dat moet worden ingevuld door een officiële dierenarts of door de dierenarts die belast is met het toezicht op het bedrijf van oorsprong en aan wie de bevoegde autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen;
b) bovendien moeten zij
i) hetzij na de leeftijd van drie maanden en ten minste zes maanden vóór verzending zijn ingeënt tegen rabies met een geïnactiveerd vaccin van ten minste één internationale antigeen-eenheid (WHO-norm), dat gemeten is overeenkomstig de effectiviteitstest volgens de door de Europese farmacopee beschreven methode en dat volgens de procedure van artikel 26 is erkend, met jaarlijkse herhalingsinenting of met een herhalingsinenting volgens een door de Lid-Staat van verzending voor dat vaccin toegestane frequentie.
De inenting moet worden gecertificeerd door een officiële dierenarts of door de dierenarts die belast is met het toezicht op het bedrijf van oorsprong en aan wie de bevoegde autoriteit deze bevoegdheid heeft overgedragen. Op het vaccinatiebewijs moeten de naam van het vaccin en het partijnummer worden vermeld (zo mogelijk met een zelfklevend vignet).
Bovendien moeten zij na vaccinatie een serologische test hebben ondergaan waaruit een beschermende anti-lichamentiter blijkt van ten minste 0,5 internationale eenheid; deze serologische test moet worden uitgevoerd volgens de specificaties van de WHO. Indien deze test na de primovaccinatie plaatsvindt, moet deze worden uitgevoerd tussen de eerste en de derde maand na genoemde vaccinatie;
ii) hetzij, wanneer de voorwaarden onder i) niet zijn vervuld, onder toezicht naar een door de Lid-Staat van bestemming erkend quarantainestation worden gebracht voor een quarantaineperiode van zes maanden.
Tot 1 juli 1994 blijft de nationale rabiesregelgeving van kracht met dien verstande dat handhaving daarvan geen invloed kan hebben op de afschaffing van veterinaire controles aan de grenzen tussen de Lid-Staten.
4. Onverminderd de leden 2 en 3, mogen Ierland en het Verenigd Koninkrijk hun nationale regelgeving inzake quarantaine voor carnivoren, primaten, vleermuizen en andere voor rabies vatbare dieren als bedoeld in de onderhavige richtlijn en waarvoor niet kan worden aangetoond dat ze op het bedrijf van herkomst geboren en vanaf hun geboorte in gevangenschap gehouden zijn, handhaven, met dien verstande dat handhaving van deze regelgeving geen invloed kan hebben op de afschaffing van de veterinaire controles aan de grenzen tussen de Lid-Staten.
5. Beschikking 90/638/EEG wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan artikel 1 wordt het volgende streepje toegevoegd:
"- voldoen aan de in bijlage III vastgestelde criteria, wanneer het rabiesbestrijdingsprogramma's betreft.".
2. De volgende bijlage wordt toegevoegd:
"BIJLAGE III
Criteria voor rabiesbestrijdingsprogramma's:
De rabiesbestrijdingsprogramma's moeten ten minste omvatten:
a) de criteria bedoeld in de punten 1 tot en met 7 van bijlage I;
b) gedetailleerde informatie over het (de) gebied(en) waarin orale immunisatie van vossen zal plaatsvinden en de natuurlijke grenzen ervan. Dit (deze) gebied(en) bestrijkt (bestrijken) ten minste 6 000 km² en het (zij) mag (mogen) grensgebieden van derde landen omvatten;
c) gedetailleerde informatie over de voorgestelde vaccins, het distributiesysteem, de dichtheid en de frequentie waarmee het lokaas wordt uitgelegd;
d) in voorkomend geval, alle details, de kosten en het doel van de acties tot behoud en bescherming van de flora en fauna die op het door deze projecten bestreken grondgebied door vrijwilligersorganisaties worden ondernomen.".
6. De Raad wijst op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een specifiek instituut aan dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests en neemt op dezelfde wijze een besluit over de taken van dat instituut.
7. De Lid-Staten zien erop toe dat de kosten in verband met de uitvoering van de serologische test ten laste komen van de importeurs.
8. Dit artikel, en met name de uitvoering van de in lid 3, onder b), bedoelde serologische test, wordt vóór 1 januari 1997 opnieuw bezien in het licht van de ontwikkeling van de situatie op het gebied van rabies in de Lid-Staten.