Art. 14 Richtlijn 92/46/EEG
1. De Lid-Staten zien erop toe dat de exploitant of de beheerder van de melkbehandelings- en/of melkverwerkingsinrichting alle nodige maatregelen treft om ervoor te zorgen dat de relevante voorschriften van deze richtlijn in alle stadia van de produktie worden nageleefd.
Daartoe dient de exploitant of de beheerder van de inrichting zelf constant controles uit te oefenen die gebaseerd zijn op de volgende beginselen:
- identificatie van de kritieke punten in de inrichting aan de hand van de gebruikte procédés;
- toezicht en controle op deze kritieke punten volgens adequate methoden;
- monsterneming voor analyse in een door de bevoegde autoriteit erkend laboratorium met het oog op de controle van de reinigings- en ontsmettingsmethoden en om na te gaan of de in deze richtlijn vastgestelde normen worden nageleefd;
- bewaring van de uit hoofde van de voorgaande streepjes verlangde gegevens op schrift of op een andere wijze geregistreerd, ten einde deze aan de bevoegde autoriteit te kunnen voorleggen. De resultaten van de verschillende controles en tests worden gedurende ten minste twee jaar bewaard, behalve in het geval van produkten op basis van melk die niet bij kamertemperatuur kunnen worden bewaard, waarvoor deze termijn wordt teruggebracht tot twee maanden ingaande op de uiterste consumptiedatum of de datum van minimale houdbaarheid;
- indien op grond van het laboratoriumonderzoek of van andere gegevens waarover zij beschikken een ernstig gevaar voor de gezondheid wordt vastgesteld, informatie van de bevoegde autoriteit;
- in geval van direct gevaar voor de menselijke gezondheid, uit de handel nemen van de hoeveelheid produkten die is verkregen onder technologisch vergelijkbare omstandigheden en die hetzelfde gevaar kan opleveren. Deze uit de handel genomen hoeveelheid moet onder toezicht en onder verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit blijven, totdat zij wordt vernietigd, voor andere doeleinden dan menselijke consumptie wordt gebruikt, dan wel na toestemming van genoemde autoriteit opnieuw wordt behandeld om de veiligheid ervan te waarborgen.
De exploitant of beheerder van de inrichting moet bovendien garanties bieden ten aanzien van het correcte beheer van de keurmerken.
De in het eerste en tweede streepje van de tweede alinea en de in de derde alinea bedoelde eisen moeten aan de bevoegde autoriteit worden meegedeeld, die op gezette tijden moet controleren of ze worden nageleefd.
2. De exploitant of de beheerder van de inrichting moet een opleidingsprogramma verstrekken of opzetten dat het personeel in staat stelt te voldoen aan de voorschriften inzake hygiënische produktie, die zijn aangepast aan de produktiestructuur, behalve indien het personeel reeds over een voldoende kwalificatie beschikt, ten bewijze waarvan het een diploma kan overleggen. De bevoegde autoriteit waaronder de inrichting ressorteert, moet bij het opzetten en de uitvoering van dit programma of, wanneer het een programma betreft dat op de datum van kennisgeving van deze richtlijn bestaat, bij de controle daarop worden betrokken.
3. Wanneer een gegrond vermoeden bestaat dat niet aan de eisen van deze richtlijn wordt voldaan, verricht de bevoegde autoriteit de nodige controles en, indien dat vermoeden wordt bevestigd, neemt zij de passende maatregelen die kunnen gaan tot schorsing van de erkenning.
4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden, zo nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 31.