Art. 21 Richtlijn 92/12/EEG
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 1, kunnen de Lid-Staten bepalen dat de op hun grondgebied voor uitslag tot verbruik bestemde produkten voorzien moeten zijn van fiscale merktekens of van nationale herkenningstekens die voor belastingdoeleinden worden gebruikt.
2. Elke Lid-Staat die het gebruik van de in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of nationale herkenningstekens voorschrijft, moet deze ter beschikking stellen van de erkende entrepothouders van de andere Lid-Staten. Iedere Lid-Staat kan evenwel bepalen dat de fiscale merktekens ter beschikking worden gesteld van een door zijn belastingautoriteiten erkende fiscale vertegenwoordiger.
De Lid-Staten zorgen ervoor dat de procedure inzake deze tekens geen belemmeringen voor het vrije verkeer van accijnsprodukten doet ontstaan.
3. De in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of herkenningstekens zijn uitsluitend geldig in de Lid-Staat die deze heeft afgegeven.
De Lid-Staten kunnen echter overgaan tot onderlinge erkenning van die tekens.
4. Minerale oliën mogen in Ierland, tenzij zij voldoen aan de in dat land gestelde eisen inzake controle en merktekens, niet elders voorhanden worden gehouden, vervoerd of gebruikt dan in de normale brandstoftanks van voertuigen die gebruik mogen maken van brandstof waarvoor een laag tarief geldt.
5. Het intracommunautaire verkeer van produkten die voorzien zijn van een in lid 1 bedoeld fiscaal merkteken of nationaal herkenningsteken van een Lid-Staat en die bestemd zijn voor verkoop in deze Lid-Staat, vindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat plaats met het geleidedocument bedoeld in artikel 18, leden 1 en 3, of, in voorkomend geval, volgens het bepaalde in artikel 5, lid 2.