Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2092/91
1. Voor een produkt als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), mag bij de etikettering of in de reclame alleen worden verwezen naar de biologische produktiemethode voor zover a) deze aanduidingen duidelijk maken dat het om een landbouwmethode gaat;
b) het produkt is geproduceerd volgens de regels van de artikelen 6 en 7 of is ingevoerd uit een derde land overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde regeling;
c) de marktdeelnemer die het produkt heeft ingevoerd of geproduceerd, zich aan de controlemaatregelen van de artikelen 8 en 9 heeft onderworpen.
2. Voor een produkt als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), mag bij de etikettering of in de reclame alleen worden verwezen naar de biologische produktiemethode voor zover de aanduidingen duidelijk maken dat het om een landbouwmethode gaat en zij zijn verbonden met de vermelding van de betrokken landbouwprodukten zoals die op het landbouwbedrijf zijn geproduceerd.
3. Voor een produkt als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), mag bij de etikettering of de reclame in de verkoopsbenaming alleen worden verwezen naar de biologische produktiemethode voor zover a) alle ingrediënten van agrarische oorsprong van het produkt produkten zijn of van produkten afkomstig zijn die volgens de regels van de artikelen 6 en 7 zijn geproduceerd of die overeenkomstig de in artikel 11 bedoelde regeling uit derde landen zijn ingevoerd;
b) het produkt als ingrediënten van niet-agrarische oorsprong uitsluitend in bijlage VI, punt A, genoemde stoffen bevat;
c) het produkt of de ingrediënten ervan tijdens de bereiding niet zijn behandeld met ioniserende stralen of met niet in bijlage VI, punt B, genoemde stoffen;
d) de marktdeelnemer die het produkt heeft bereid, zich aan de controlemaatregelen van de artikelen 8 en 9 heeft onderworpen.
4. In afwijking van lid 3, onder a), mogen ingrediënten van agrarische oorsprong die niet voldoen aan de in dat lid genoemde voorwaarden, tot een gehalte van ten hoogste 5 % van de ingrediënten van agrarische oorsprong in het eindprodukt worden gebruikt voor de bereiding van produkten als bedoeld in artikel 1, onder b), mits - het ingrediënten van agrarische oorsprong betreft die in de Gemeenschap niet volgens de regels van de artikelen 6 en 7 worden geproduceerd, of - het ingrediënten van agrarische oorsprong betreft die in de Gemeenschap niet in voldoende hoeveelheden volgens de regels van de artikelen 6 en 7 worden geproduceerd.
5. Tijdens een overgangsperiode die op 1 juli 1994 ten einde loopt, kunnen bij de etikettering en in de reclame voor een in artikel 1, lid 1, onder a) of b), bedoeld produkt, wanneer dit uit één ingrediënt van agrarische oorsprong bestaat, aanduidingen betreffende overschakeling op de biologische landbouw worden vermeld, mits:
a) ten volle wordt voldaan aan de eisen als bedoeld in lid 1, respectievelijk lid 3, met uitzondering van de eis betreffende de in bijlage I, punt 1, bedoelde duur van de omschakelingsperiode;
b) een omschakelingsperiode van ten minste twaalf maanden vóór de oogst in acht is genomen;
c) de betrokken aanduidingen de koper van het produkt niet op een dwaalspoor brengen met betrekking tot de aard van dit produkt dat verschilt van de produkten die aan alle eisen van deze verordening voldoen;
d) de controleorganisatie naar behoren heeft nagegaan of aan de onder a) en b) genoemde voorwaarden is voldaan.
6. Voor een produkt als bedoeld in artikel 1, onder b), dat gedeeltelijk is bereid uit ingrediënten die niet voldoen aan de in lid 3, onder a), genoemde voorwaarden mag bij de etikettering en in de reclame worden verwezen naar de biologische produktiemethode op voorwaarde dat:
a) ten minste 50 % van de ingrediënten van agrarische oorsprong voldoet aan de in lid 3, onder a), genoemde voorwaarden;
b) het produkt voldoet aan de in lid 3, onder b), c) en d), genoemde voorwaarden;
c) de aanduidingen met betrekking tot de biologische produktiemethode:
- alleen voorkomen in de lijst van ingrediënten in Richtlijn 79/112/EEG (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/395/EEG (2);
- duidelijk alleen verwijzen naar die ingrediënten die volgens de regels van de artikelen 6 en 7 zijn geproduceerd;
d) de ingrediënten en het gehalte ervan in afnemende volgorde naar gewicht in de lijst van ingrediënten voorkomen;
e) aanduidingen in de lijst van ingrediënten in een zelfde kleur en van een zelfde lettergrootte en van een zelfde lettertype zijn.
7. Volgens de procedure van artikel 14 kunnen gedetailleerde uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld.
8. Volgens de procedure van artikel 14 worden limitatieve lijsten van de in lid 3, onder b) en c), en lid 4, eerste en tweede streepje, bedoelde stoffen en produkten in bijlage VI opgesteld.
De gebruiksvoorwaarden en de voorwaarden inzake samenstelling van deze ingrediënten en stoffen kunnen nader worden gespecificeerd.
Indien een Lid-Staat van oordeel is dat een produkt moet worden toegevoegd aan bovengenoemde lijsten of dat deze lijsten moeten worden gewijzigd, zorgt hij ervoor dat een dossier met de redenen voor de opneming of de wijzigingen officieel aan de andere Lid-Staten en de Commissie wordt toegezonden; dit dossier wordt door de Commissie voorgelegd aan het in artikel 14 bedoelde Comité.
9. Vóór 1 juli 1993 beziet de Commissie de bepalingen van dit artikel, en in het bijzonder lid 5 en lid 6, opnieuw en dient zij zo nodig voorstellen in voor een eventuele herziening.
Produktieregels