Art. 10 Verordening (EEG) nr. 2092/91
1. De aanduiding dat voldaan is aan de controle-eisen bedoeld in bijlage V mag uitsluitend worden vermeld op de etiketten van de in artikel 1 bedoelde produkten:
a) die voldoen aan artikel 5, leden 1, 2, 3 en 4, artikel 6 en artikel 7, en aan de bepalingen die op grond daarvan worden vastgesteld;
b) die tijdens het gehele produktie- en bereidingsproces zijn gecontroleerd in het kader van de in artikel 9, lid 3, bedoelde controle;
c) die zijn geproduceerd of bereid door marktdeelnemers die de controle op hun bedrijf hebben toevertrouwd aan de in artikel 9, lid 1, bedoelde controlerende instantie of controleorganisatie, en die van deze instantie of deze organisatie het recht hebben gekregen de in bijlage V bedoelde aanduiding te gebruiken;
d) die tot het punt van verkoop in de detailhandel in gesloten verpakkingen zijn verpakt en vervoerd;
e) waarvan het etiket is voorzien van de naam en eventueel van het gedeponeerde merk van de controleorganisatie, de naam en het adres van de producent of de bereider, alsmede van de bij Richtlijn 79/112/EEG vereiste aanduidingen, voor zover die richtlijn van toepassing is.
2. Bij de etikettering of in de reclame mag geen enkele vermelding worden gebruikt die de koper zou kunnen doen geloven dat de aanduiding als bedoeld in bijlage V een waarborg is voor een hogere organoleptische, nutritionele of hygiënische kwaliteit.
3. De in artikel 9, lid 1, genoemde controlerende instantie en controleorganisaties moeten a) wanneer zij een onregelmatigheid constateren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de artikelen 5, 6 en 7 of van de in bijlage III vermelde maatregelen, de aanduiding als bedoeld in bijlage V doen verwijderen van de volledige partij of de hele produktie waarop de onregelmatigheid betrekking heeft;
b) wanneer zij een duidelijke overtreding of een overtreding met langdurige gevolgen constateren, de marktdeelnemer het recht ontnemen om de aanduiding als bedoeld in bijlage V te gebruiken gedurende een periode die in overleg met de bevoegde instantie van de Lid-Staat wordt vastgesteld.
4. De intrekking van het recht om de aanduiding als bedoeld in bijlage V te gebruiken na bepaalde overtredingen van de artikelen 5, 6 en 7 of van bijlage III kan nader worden geregeld volgens de procedure van artikel 14.
5. Wanneer een Lid-Staat bij uit een andere Lid-Staat afkomstige produkten die zijn voorzien van een aanduiding als bedoeld in artikel 2 en/of bijlage V, constateert dat bij de toepassing van deze verordening onregelmatigheden zijn begaan, brengt hij de Lid-Staat die de controleorganisatie heeft erkend en de Commissie daarvan op de hoogte.
6. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om frauduleus gebruik van de aanduidingen als bedoeld in artikel 2 en/of bijlage V te voorkomen.
7. Vóór 1 juli 1993 beziet de Commissie artikel 10 opnieuw, met name voor wat betreft de mogelijkheid om de in bijlage V bedoelde aanduiding verplicht te stellen, en dient zij de voorstellen in die voor een eventuele herziening nodig zijn.
Invoer uit derde landen