Art. 3 Richtlijn 91/628/EEG

Richtlijn 91/628/EEG

1. De Lid-Staten zien erop toe dat:

a) het vervoer van dieren binnen, van en naar een Lid-Staat gebeurt overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in:

- hoofdstuk I van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a);

- hoofdstuk II van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b);

- hoofdstuk III van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c);

- hoofdstuk IV van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder d);

- hoofdstuk V van de bijlage, voor dieren als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder e);

b)

dieren alleen mogen worden vervoerd als zij geschikt zijn voor de geplande reis en als voorzieningen zijn getroffen voor de verzorging van de dieren tijdens de reis en bij aankomst op de plaats van bestemming. Zieke of gewonde dieren worden niet geschikt geacht om te worden vervoerd. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op:

ii) licht gewonde of zieke dieren waarvoor het vervoer geen onnodig lijden zou veroorzaken;

ii) dieren die worden vervoerd voor door de bevoegde autoriteit goedgekeurde doeleinden van wetenschappelijk onderzoek;

c)

dieren die tijdens het vervoer ziek worden of gewond raken, zo spoedig mogelijk eerste hulp en indien nodig een passende diergeneeskundige behandeling krijgen. Zo nodig moet er onverwijld een noodslachting plaatsvinden op zodanige wijze dat onnodig lijden wordt voorkomen.

2. Voor diergeneeskundige behandelingen of voor noodslachtingen mogen de Lid-Staten, in afwijking van lid 1, onder b), het vervoer van dieren toestaan onder omstandigheden die niet met deze richtlijn in overeenstemming zijn. De Lid-Staten zien erop toe dat dergelijk vervoer alleen wordt toegestaan wanneer een en ander voor de betrokken dieren geen onnodig lijden of geen slechte behandeling veroorzaakt. Specifieke bepalingen ter uitvoering van deze alinea worden zo nodig vastgesteld volgens de procedure van artikel 17.

3. Onverminderd de in lid 1, onder a) en b), en in de bijlagen bepaalde eisen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende aanvullende voorwaarden voor het vervoer van bepaalde diersoorten als eenhoevigen, wilde vogels en zeezoogdieren vast om het welzijn van deze dieren te waarborgen.

In afwachting van de tenuitvoerlegging van deze bepalingen mogen de Lid-Staten - met inachtneming van de algemene bepalingen van het Verdrag - aanvullende nationale voorschriften ter zake toepassen.