Art. 3 Richtlijn 91/308/EEG

Richtlijn 91/308/EEG

1. De Lid-Staten zien erop toe dat kredietinstellingen en financiële instellingen van hun cliënten legitimatie door overlegging van bewijsstukken verlangen wanneer zij zakelijke betrekkingen aangaan, met name bij het openen van een rekening of spaarboekje of het verlenen van diensten voor het in bewaring nemen van activa.

2. De identificatieplicht geldt tevens voor iedere transactie met andere dan de in lid 1 bedoelde cliënten, waarvan het bedrag 15 000 ecu of meer bedraagt, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting of via meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan. Indien het bedrag bij het inleiden van de transactie niet bekend is, controleert de betrokken instelling de identiteit zodra zij op de hoogte is van het bedrag en constateert dat de drempel wordt bereikt.

3. In afwijking van de leden 1 en 2 is bij overeenkomsten die worden gesloten door verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 79/267/EEG, voor zover deze ondernemingen activiteiten verrichten die onder die richtlijn vallen, de identificatieplicht niet van toepassing wanneer het bedrag van de te betalen periodieke premie(s) gedurende een periode van een jaar 1 000 ecu of minder bedraagt, of, bij storting van een eenmalige premie, wanneer het bedrag 2 500 ecu of minder beloopt. Wanneer de periodieke premie(s) zodanig wordt (worden) verhoogd dat de drempel van 1 000 ecu wordt overschreden, wordt identificatie verplicht.

4. De Lid-Staten kunnen bepalen dat identificatie niet verplicht is voor pensioenverzekeringsovereenkomsten aangegaan uit hoofde van de dienstbetrekking of de beroepsactiviteit van de verzekerde, mits deze overeenkomsten geen afkoopclausule omvatten en niet als waarborg voor een lening kunnen worden gebruikt.

5. Indien wordt betwijfeld of de in de voorgaande leden bedoelde cliënten voor eigen rekening handelen, of indien vaststaat dat dit niet het geval is, treffen de kredietinstellingen en de financiële instellingen redelijke maatregelen om informatie te verkrijgen omtrent de ware identiteit van de personen voor wier rekening deze cliënten handelen.

6. Indien er een vermoeden van witwassen bestaat, dienen deze kredietinstellingen en financiële instellingen de identificatie ook uit te voeren wanneer het bedrag van de transactie onder bovengenoemde drempels ligt.

7. Kredietinstellingen en financiële instellingen behoeven niet tot de in dit artikel bedoelde identificatie over te gaan indien de cliënt eveneens een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling of financiële instelling is.

8. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat voor de in de leden 3 en 4 bedoelde transacties aan de identificatieplicht voldaan is wanneer vaststaat dat de transactie betaald moet worden door het debiteren van een rekening die op naam van de klant geopend is bij een kredietinstelling waarvoor de in lid 1 bedoelde identificatieplicht geldt.