Art. 9 Verordening (EEG) nr. 2377/90

Verordening (EEG) nr. 2377/90

1. Wanneer een Lid-Staat ten gevolge van nieuwe gegevens of een herbeoordeling van reeds bestaande gegevens van oordeel is dat een punt in de bijlagen I tot en met IV dringend moet worden gewijzigd om de gezondheid van mens of dier te beschermen, kan die Lid-Staat tijdelijk de toepassing van dat punt op zijn eigen grondgebied opschorten. In dat geval brengt hij de andere Lid-Staten en de Commissie onmiddellijk van de maatregelen op de hoogte en geeft hij de redenen daarvoor aan.

2. De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk de door de betrokken Lid-Staat opgegeven redenen, en pleegt in het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik overleg met de Lid-Staten; zij brengt daarop onverwijld advies uit en neemt passende maatregelen. Degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen, kan worden verzocht het Comité mondeling of schriftelijk rekenschap te geven. De Commissie stelt de Raad en de Lid-Staten onmiddellijk van alle genomen maatregelen in kennis. Elke Lid-Staat kan de maatregelen van de Commissie binnen vijftien dagen na kennisgeving aan de Raad voorleggen. De Raad kan binnen 30 dagen na de datum waarop hem de zaak werd voorgelegd, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een afwijkend besluit nemen.

3. Wanneer de Commissie van oordeel is dat het betrokken punt in de bijlagen I tot en met IV moet worden gewijzigd om de in lid 1 genoemde moeilijkheden op te lossen en de gezondheid van de mens te beschermen, leidt zij met het oog op de goedkeuring van die wijzigingen de procedure van artikel 10 in; de Lid-Staat die maatregelen als bedoeld in lid 1 heeft genomen, mag deze handhaven tot de Raad of de Commissie overeenkomstig de bovenvermelde procedure een besluit heeft genomen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen