Art. 4 Verordening (EEG) nr. 2377/90

Verordening (EEG) nr. 2377/90

Voor farmacologisch werkzame substanties die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, kunnen voorlopige maximumwaarden voor residuen worden vastgesteld, op voorwaarde dat er geen reden is om aan te nemen dat residuen van de betrokken substantie in de voorgestelde maximumhoeveelheid gevaar opleveren voor de gezondheid van de verbruiker. Een voorlopige maximumwaarde voor residuen geldt voor een bepaalde periode van ten hoogste vijf jaar. Deze periode mag bij wijze van uitzondering slechts eenmaal worden verlengd met ten hoogste twee jaar, indien zulks dienstig blijkt om wetenschappelijk onderzoek dat reeds aan de gang is, af te ronden.

In uitzonderlijke omstandigheden kan er ook een voorlopige maximumwaarde voor residuen worden vastgesteld voor farmacologisch werkzame substanties die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening nog niet zijn gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, op voorwaarde dat er geen reden is om aan te nemen dat residuen van de betrokken substantie in de voorgestelde maximumhoeveelheid gevaar opleveren voor de gezondheid van de verbruiker.

De lijst van farmacologisch werkzame substanties die worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik en waarvoor voorlopige maximumwaarden voor residuen zijn vastgesteld, wordt in bijlage III bij deze verordening opgenomen; deze bijlage wordt goedgekeurd volgens de procedure van artikel 8. Voor zover niet anders wordt bepaald in artikel 9, worden eventuele wijzigingen van bijlage III eveneens volgens die procedure goedgekeurd.

Vorige artikelen

Volgende artikelen