Art. 20 Tweede Richtlijn 90/619/EEG

Tweede Richtlijn 90/619/EEG

1. Iedere onderneming die diensten verricht, moet aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting alle ter toepassing van dit artikel gevraagde documenten overleggen, voor zover ook de in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen daartoe gehouden zijn .

2. Indien de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat vaststellen dat een onderneming die in het kader van dienstverrichting op het grondgebied van die Lid-Staat werkzaam is, zich niet houdt aan de rechtsregels van die Lid-Staat die op haar van

toepassing zijn, verzoeken zij de betrokken onderneming een einde te maken aan deze onregelmatigheid .

3. Indien de betrokken onderneming geen gevolg geeft aan het in lid 2 bedoelde verzoek, stellen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van de vestiging hiervan in kennis . Deze autoriteiten treffen alle passende maatregelen opdat de betrokken onderneming een eind maakt aan de onregelmatigheid . De aard van deze maatregelen wordt ter kennis van de autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting gebracht .

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting kunnen zich ook wenden tot de bevoegde autoriteiten van het hoofdkantoor van de verzekeringsonderneming, wanneer de diensten door een bijkantoor of agentschap worden verricht .

4. Indien de onderneming, ondanks de door de Lid-Staat van de vestiging getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend blijken of die Lid-Staat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in de Lid-Staat van dienstverrichting geldende rechtsregels, kan deze Lid-Staat, na de toezichthoudende autoriteiten van de Lid-Staat van de vestiging daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen en, voor zover zulks volstrekt noodzakelijk is, de onderneming beletten met het aangaan van verbintenissen in het kader van dienstverrichting op zijn grondgebied door te gaan . Voor verbintenissen die in het kader van dienstverrichting zijn aangegaan, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van deze richtlijn, omvatten deze maatregelen het intrekken van de in artikel 12 bedoelde vergunning . De Lid-Staten zorgen ervoor dat de voor deze maatregelen noodzakelijke kennisgevingen op hun grondgebied mogelijk worden gemaakt .

( 1 ) PB nr . L 26 van 31 . 1 . 1977, blz . 14 .

5. Bovenstaande bepalingen laten de bevoegdheid van de Lid-Staten om de op hun grondgebied begane onregelmatigheden te bestraffen, onverlet .

6. Indien de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd, een vestiging heeft of goederen bezit in de Lid-Staat van dienstverrichting, kunnen de toezichthoudende autoriteiten van deze Lid-Staat overeenkomstig de nationale wetgeving de voor deze inbreuk vastgestelde administratieve sancties ten uitvoer leggen ten aanzien van deze vestiging of deze goederen .

7. Elke in het kader van de leden 2 tot en met 6 genomen maatregel welke sancties of beperkingen van de uitoefening van het verrichten van diensten inhoudt, moet met redenen worden omkleed en ter kennis van de betrokken onderneming worden gebracht . Tegen een dergelijke maatregel kan bij een rechterlijke instantie beroep worden ingesteld in de Lid-Staat waar hij is genomen .

8. Wanneer in het kader van artikel 24 van de Eerste Richtlijn maatregelen zijn getroffen, worden de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting daarvan in kennis gesteld door de autoriteiten die de maatregelen hebben getroffen, en wanneer het maatregelen uit hoofde van de leden 1 en 3 van voornoemd artikel betreft, nemen zij alle dienstige maatregelen om de belangen van de verzekerden te vrijwaren .

Ingeval de vergunning op grond van artikel 26 van de Eerste Richtlijn wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van dienstverrichting daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen om te voorkomen dat de betrokken vestiging met het sluiten van verzekeringsovereenkomsten in het kader van dienstverrichting op het grondgebied van deze Lid-Staat doorgaat .

9. De Commissie legt om de twee jaar aan de Raad een verslag voor met een overzicht van het aantal en de aard van de gevallen waarin in elke Lid-Staat overeenkomstig artikel 12 kennis is gegeven van besluiten tot weigering van een vergunning, of maatregelen zijn genomen overeenkomstig lid 4 . De Lid-Staten verlenen aan de Commissie hun medewerking door de voor het opstellen van dat verslag nodige informatie te verstrekken .

Vorige artikelen

Volgende artikelen