Art. 12 Richtlijn 90/539/EEG

Richtlijn 90/539/EEG

1. Voor de verzending van pluimvee en broedeieren uit Lid-Staten of gebieden van Lid-Staten waar het in artikel 1

bedoelde pluimvee tegen de ziekte van Newcastle wordt ingeënt, naar een Lid-Staat of een gebied van een Lid-Staat, waarvan de status overeenkomstig lid 2 van het onderhavige artikel is vastgesteld, gelden de volgende voorschriften:

a) broedeieren moeten afkomstig zijn van koppels die:

- hetzij niet zijn ingeënt,

- hetzij niet zijn ingeënt,

- hetzij zijn ingeënt met een geïnactiveerde entstof,

- hetzij zijn ingeënt met een levende entstof, indien de inenting ten minste zestig dagen vóór de verzameling van de broedeieren heeft plaatsgevonden;

b)

eendagskuikens moeten afkomstig zijn van:

- broedeieren die voldoen aan de onder a) gestelde voorwaarden,

- een broederij waar de arbeidsmethoden zodanig zijn dat wordt gegarandeerd dat deze eieren worden uitgebroed op volstrekt andere plaatsen en tijdstippen als eieren die niet aan de onder a) gestelde voorwaarden voldoen;

c)

fok- of gebruikspluimvee

fok- of gebruikspluimvee

- mag niet ingeënt zijn tegen de ziekte van Newcastle, en

- moet in de laatste veertien dagen voorafgaand aan de verzending onder toezicht van de officiële dierenarts hetzij in een pluimveebedrijf, hetzij in een quarantainestation zijn afgezonderd. In dit verband mag geen enkel dier van het op het pluimveebedrijf van oorsprong of, eventueel, in het quarantainestation aanwezige pluimvee in de laatste 21 dagen voorafgaand aan de verzending tegen de ziekte van Newcastle zijn ingeënt en mag er in diezelfde periode, met uitzondering van de dieren die deel uitmaken van de verzending, geen pluimvee op het pluimveebedrijf of in het quarantainestation zijn binnengebracht; voorts mag binnen de quarantainestations geen inenting plaatsvinden en,

- moet in de laatste 14 dagen voorafgaand aan de verzending aan de hand van een representatieve serologische test op de aanwezigheid van antistoffen tegen de ziekte van Newcastle zijn onderzocht overeenkomstig de voorschriften die volgens de procedure van artikel 32 zijn vastgesteld;

d)

slachtpluimvee moet afkomstig zijn van koppels die aan de volgende eisen voldoen:

- wanneer de dieren niet tegen de ziekte van Newcastle - wanneer de dieren niet tegen de ziekte van Newcastle zijn ingeënt, moeten zij voldoen aan de in punt c), derde streepje, gestelde voorwaarde,

derde streepje, gestelde voorwaarde,

- wanneer de dieren wel ingeënt zijn, mogen zij in de laatste 30 dagen voorafgaand aan de verzending niet ingeënt zijn met een levende entstof en moeten zij op basis van een representatief monster in de laatste 14 dagen voorafgaand aan de verzending een test met het oog op de isolatie van het virus van de ziekte van Newcastle hebben ondergaan overeenkomstig de voorschriften die volgens de procedure van artikel 32 zijn vastgesteld.

2. De status van Lid-Staten of gebieden van Lid-Staten ten aanzien van de ziekte van Newcastle wordt vastgesteld door de Commissie volgens de procedure van artikel 32, en wel uiterlijk zes maanden vóór de datum waarop de Lid-Staten aan de onderhavige richtlijn moeten voldoen.

De bij de vaststelling van deze status in acht te nemen elementen zijn de in artikel 14, lid 1, bedoelde informatie alsmede, met name, de volgende criteria:

- onder het in artikel 1 bedoelde pluimvee zijn gedurende ten minste de twaalf voorafgaande maanden geen symptomen van de ziekte van Newcastle vastgesteld;

- voor het in artikel 1 bedoelde pluimvee is gedurende ten minste de twaalf voorafgaande maanden geen toestemming verleend voor inenting tegen de ziekte van Newcastle;

- alle fokpluimvee wordt ten minste een maal per jaar onderzocht op de aanwezigheid van de ziekte van Newcastle;

- op de bedrijven is geen pluimvee aanwezig dat tegen de ziekte van Newcastle is ingeënt.

3. De in lid 1 genoemde voorschriften worden vóór 31 december 1992 opnieuw bezien.