Art. 14 Richtlijn 90/539/EEG
1. Wanneer een Lid-Staat van oordeel is dat hij geheel of gedeeltelijk vrij is van een van de ziekten waarvoor pluimvee vatbaar is, stelt hij de Commissie in het bezit van de nodige bewijsstukken. Hij geeft met name aan:
- de aard van de ziekte en de wijze waarop de ziekte zich op zijn grondgebied heeft gemanifesteerd,
- de resultaten van de in het kader van een bewakingsprogramma uitgevoerde tests, gebaseerd op een serologisch, microbiologisch of pathologisch onderzoek en op het feit dat het een ziekte betreft waarvoor een aangifteplicht bij de bevoegde autoriteiten geldt,
- de looptijd van het bewakingsprogramma,
- eventueel de periode waarin inenting tegen de ziekte is verboden en het geografisch gebied waarvoor dat verbod geldt,
- de voorschriften voor de controle op de afwezigheid van de ziekte.
2. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staat ingediende bewijsstukken. De algemene of beperkte aanvullende garanties die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist, kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 32. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert. Indien de bewijsstukken vóór 1 juli 1991 zijn ingediend moeten besluiten betreffende de aanvullende garanties vóór 1 januari 1992 worden genomen.
3. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van de in lid 1 genoemde bewijsstukken. In het licht van de medegedeelde informatie kunnen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties volgens de procedure van artikel 32 worden gewijzigd of ingetrokken.