Art. 4 Richtlijn 90/425/EEG
1. De Lid-Staten van verzending treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:
a) de houders van de in artikel 1 bedoelde dieren en produkten de in deze richtlijn bedoelde nationale of communautaire gezondheids- en zooetechnische voorschriften in alle stadia van produktie en verhandeling naleven;
b)
de in bijlage A bedoelde dieren en produkten vanuit diergeneeskundig oogpunt minstens even nauwlettend worden gecontroleerd als wanneer ze voor de nationale markt zouden zijn bestemd, behoudens specifieke afwijking op grond van communautaire voorschriften;
c)
de dieren vervoerd worden met daarvoor geschikte vervoermiddelen die waarborgen bieden op het gebied van de hygiënische voorschriften.
2. De bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van oorsprong die het certificaat of geleidedocument voor de dieren of produkten heeft afgegeven, geeft op de dag van de afgifte, middels het in artikel 20 bedoelde geautomatiseerde systeem, aan de bevoegde centrale autoriteit van de Lid-Staat van bestemming en aan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming de volgens de procedure van artikel 18 door de Commissie te preciseren informatie door.
3. De Lid-Staten van verzending treffen passende maatregelen om aan overtreding van de veterinaire en zooetechnische wetgeving door natuurlijke of rechtspersonen sancties te verbinden indien blijkt dat de communautaire voorschriften niet in acht zijn genomen, in het bijzonder wanneer wordt geconstateerd dat de certificaten, documenten of identificatiemerken niet overeenstemmen met de status van de dieren of van de bedrijven van oorsprong, of met de feitelijke kenmerken van de produkten.