Art. 3 Richtlijn 90/425/EEG
1. De Lid-Staten zien erop toe dat uitsluitend de in artikel 1 bedoelde dieren en produkten die voldoen aan de volgende voorwaarden voor het handelsverkeer mogen worden bestemd:
a) de in bijlage A bedoelde dieren en produkten moeten voldoen aan de eisen van de desbetreffende, in die bijlage vermelde richtlijnen en de in bijlage B bedoelde dieren en produkten moeten voldoen aan de veterinairrechtelijke normen in het land van bestemming;
b)
zij moeten afkomstig zijn van een bedrijf respectievelijk een centrum of een instelling waarop regelmatig officiële veterinaire controles overeenkomstig lid 3 worden toegepast;
c)
zij moeten enerzijds overeenkomstig de vereisten van de communautaire voorschriften zijn geïdentificeerd en anderzijds zijn geregistreerd zodat het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong of van tijdelijk verblijf is terug te vinden; de Commissie moet binnen drie maanden na kennisgeving van deze richtlijn in kennis worden gesteld van de nationale identificatie- en registratiesystemen.
Vóór 1 januari 1993 moeten de Lid-Staten passende maatregelen treffen om te waarborgen dat de identificatie- en registratiesystemen die gelden voor het intracommunautaire handelsverkeer van toepassing worden verklaard op het verkeer van dieren binnen hun grondgebied;
d)
zij moeten tijdens het vervoer vergezeld gaan van de gezondheidscertificaten en/of andere documenten als bedoeld in de richtlijnen genoemd in bijlage A en, wat de andere dieren en produkten betreft, als bedoeld in de wetgeving van de Lid-Staat van bestemming.
Tot aan hun bestemming moet het dier, de dieren of de produkten vergezeld gaan van deze certificaten of documenten, die worden afgegeven door de officiële, voor het bedrijf, het centrum of de instelling van oorsprong verantwoordelijke dierenarts of, wanneer het documenten betreft waarin door de in bijlage A, deel II, bedoelde zooetechnische wetgeving is voorzien, door de bevoegde autoriteit;
e)
de vatbare dieren of de produkten van vatbare dieren mogen niet van oorsprong zijn
iii) uit een bedrijf, centrum, instelling, zone of gebied waarvoor beperkingen gelden krachtens de communautaire voorschriften wanneer die van toepassing zijn voor de betrokken dieren of de produkten van de betrokken dieren omdat er een ziekte als bedoeld in bijlage C wordt vermoed, is uitgebroken of heerst of omdat er vrijwaringsmaatregelen worden toegepast;
iii)
uit een bedrijf, centrum, instelling, zone of gebied waarvoor officiële beperkingen gelden omdat er andere ziekten dan bedoeld in bijlage C vermoed worden, zijn uitgebroken of heersen of omdat er vrijwaringsmaatregelen worden toegepast;
iii)
uit een bedrijf dat niet de waarborgen biedt die door de Lid-Staat van bestemming kunnen worden geëist met betrekking tot andere dan de in bijlage C bedoelde ziekten, wanneer zij bestemd zijn voor bedrijven, centra of instellingen in een van de Lid-Staten die overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG of overeenkomstig gelijkwaardige, vastgestelde of nog vast te stellen, communautaire voorschriften, waarborgen hebben verkregen, of in een Staat die bij de vigerende communautaire wetgeving voor het gehele grondgebied of een deel daarvan als ziektevrij is erkend;
iv)
uit een bedrijf, centrum of instelling en, in voorkomend geval, een deel van het grondgebied waardoor niet de voorziene bijkomende waarborgen worden geboden, indien zij zijn bestemd voor een Lid-Staat of een deel daarvan waarvoor overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG of overeenkomstig gelijkwaardige, vastgestelde of nog vast te stellen, communautaire voorschriften, bijkomende waarborgen gelden.
Vóór de afgifte van het geleidecertificaat of -document vergewist de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong zich ervan of de bedrijven, centra of instellingen voldoen aan de in dit punt gestelde eisen;
f)
in geval van vervoer naar meer dan één bestemming moeten er van de dieren of produkten evenveel partijen worden gemaakt als er bestemmingen zijn. Elke partij moet vergezeld gaan van de onder d) vermelde certificaten en/of documenten;
g)
wanneer de onder de in bijlage A genoemde richtlijnen vallende dieren of produkten die aan de communautaire voorschriften voldoen, bestemd zijn om via het grondgebied van een andere Lid-Staat naar een derde land
te worden uitgevoerd, moet het vervoer - behalve in noodgevallen waarin de bevoegde autoriteit met het oog op het welzijn van de dieren vergunning heeft gegeven - onder douanetoezicht blijven tot de plaats waar het grondgebied van de Gemeenschap wordt verlaten, overeenkomstig voorschriften die volgens de procedure van artikel 18 of in voorkomend geval van artikel 19 door de Commissie zullen worden vastgesteld.
Voorts is in het geval van dieren of produkten die niet voldoen aan de communautaire voorschriften of van de in bijlage B genoemde dieren of produkten de doorvoer slechts toegestaan wanneer de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat van doorvoer daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
2. De Lid-Staten dragen er bovendien zorg voor dat:
- de in artikel 1 bedoelde dieren en produkten die in het kader van een nationaal programma tot uitroeiing van niet in bijlage C vermelde ziekten dienen te worden gedestrueerd, niet naar het grondgebied van een andere Lid-Staat worden gezonden,
- de in bijlage A bedoelde dieren en produkten of de in bijlage B bedoelde dieren en produkten niet naar het grondgebied van een andere Lid-Staat worden verzonden, indien zij om redenen van gezondheid of om veterinairrechtelijke redenen die door artikel 36 van het Verdrag gerechtvaardigd worden op hun eigen grondgebied niet in de handel mogen worden gebracht.
3. Onverminderd de controlerende taken waarmee de officiële dierenarts bij de communautaire voorschriften is belast, controleert de bevoegde autoriteit de bedrijven, de erkende markten of verzamelplaatsen, de centra en de instellingen om zich ervan te vergewissen dat de voor het handelsverkeer bestemde dieren of produkten voldoen aan de communautaire eisen en in het bijzonder aan de in lid 1, onder c) en d), bedoelde voorwaarden met betrekking tot de identificatie.
Wanneer er gegronde verdenking bestaat dat niet aan de communautaire voorschriften wordt voldaan, verricht de bevoegde autoriteit de nodige controles en treft zij, indien de verdenking wordt bevestigd, passende maatregelen; in het uiterste geval kan zij overgaan tot sekwestratie van het desbetreffende bedrijf, centrum of instelling.
4. De Commissie kan, volgens de procedure van artikel 18 of, in voorkomend geval, van artikel 19, de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vaststellen, met name om rekening te houden met de betrokken soort.