Art. 19 Verordening (EEG) nr. 4056/86, Geldboeten
1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste honderd en ten hoogste vijfduizend Ecu, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
a) bij een mededeling als bedoeld in artikel 5, punt 5, of bij een verzoek als bedoeld in artikel 12, onjuiste of verdraaide gegevens verstrekken;
b) in antwoord op een verzoek als bedoeld in artikel 16, lid 3 of lid 5, een onjuiste inlichting verstrekken of een inlichting niet verstrekken binnen de termijn, gesteld bij een krachtens artikel 16, lid 5, gegeven beschikking;
c) bij een krachtens artikel 17 of artikel 18 verrichte verificatie geen volledige inzage geven van de ter inzage gevraagde boeken en bescheiden van het bedrijf, of zich niet onderwerpen aan verificatie welke de Commissie bij een krachtens artikel 18, lid 3, gegeven beschikking heeft gelast.
2. Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid:
a) inbreuk maken op artikel 85, lid 1, of artikel 86, van het Verdrag of geen gevolg geven aan een verplichting, hun opgelegd krachtens artikel 7 van deze verordening;
b) zich gedragen in strijd met een verplichting, opgelegd krachtens artikel 5 of artikel 13, lid 1,
kan de Commissie bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van duizend tot één miljoen Ecu, of tot een hoger bedrag dat evenwel niet 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar mag overschrijden.
Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt niet alleen rekening gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk.
3. Het bepaalde in artikel 15, leden 3 en 4, is van toepassing.
4. De beschikkingen, gegeven krachtens leden 1 en 2, hebben geen strafrechtelijk karakter.
5. De in lid 2, onder a), genoemde geldboeten kunnen niet worden opgelegd voor gedragingen welke plaats hebben nadat deze bij de Commissie zijn aangemeld en voordat de Commissie ten aanzien hiervan een beschikking heeft genomen krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag, voor zover deze gedragingen blijven binnen de grenzen welke in de aanmelding zijn genoemd.
Deze bepaling is echter niet van toepassing zodra de Commissie de betrokken ondernemingen heeft medegedeeld dat zij, na voorafgaand onderzoek, van oordeel is dat overeenkomsten, besluiten of gedragingen onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen en dat toepassing van artikel 85, lid 3, niet gerechtvaardigd is.