Art. 15

1. De bestuurders gebruiken geen vuile of beschadigde registratiebladen. Met het oog daarop moeten de bladen op juiste wijze worden beschermd.

Indien een blad waarop gegevens zijn geregistreerd, is beschadigd, moeten de bestuurders het beschadigde blad voegen bij het reserveblad dat als vervanging wordt gebruikt.

2. De bestuurders moeten voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Het registratieblad wordt niet vóór het einde van de dagelijkse werktijd uit het apparaat genomen, tenzij zulks anderszins is toegestaan. Geen enkel registratieblad mag worden gebruikt voor een langere periode dan die waarvoor dat bestemd is. Wanneer de bestuurders niet bij het voertuig zijn en daardoor het apparaat in het voertuig niet zelf kunnen bedienen, moeten de in lid 3, tweede streepje, onder b), c) en d), aangegeven tijdgroepen met de hand, door automatische registratie of anderszins, leesbaar op het registratieblad worden opgetekend zonder dat dit wordt bevuild.

Zij brengen op de registratiebladen de nodige wijzigingen aan indien meer dan één bestuurder zich in het voertuig bevindt, zodat de gegevens die zijn bedoeld in hoofdstuk II, punten 1 tot en met 3, van bijlage I, worden geregistreerd op het blad van de bestuurder die daadwerkelijk het voertuig bestuurt.

3. De bestuurders:

- zien erop toe dat de tijdsaanduiding op het blad overeenkomt met de wettelijke tijd van het land waar het voertuig is ingeschreven,

- belasten zich met het bedienen van de schakelorganen met behulp waarvan de volgende te registreren tijden kunnen worden onderscheiden:

a) onder het teken : de rijtijd;

b) onder het teken : alle andere werktijden;

c) onder het teken : de tijd dat de bestuurders beschikbaar zijn, te weten:

- de wachttijd, dat wil zeggen de tijd gedurende welke de bestuurders slechts op de plaats van het werk behoeven te blijven om gevolg te geven aan eventuele oproepen tot begin of hervatting van de rit, of tot andere werkzaamheden;

- de tijd gedurende de rit doorgebracht naast de bestuurder;

- de tijd gedurende de rit doorgebracht op een slaapbank;

d) onder teken : de werkonderbrekingen en de dagelijkse rusttijden.

4. Iedere Lid-Staat kan voor de registratiebladen die voor de op zijn grondgebied ingeschreven voertuigen worden gebruikt, toestaan dat de in lid 3, tweede streepje, onder b) en c), bedoelde tijden alle onder het teken worden genoteerd.

5. De bestuurder moet op het registratieblad de volgende gegevens aanbrengen:

a) naam en voornaam, bij het begin van het gebruik van het blad;

b) datum en plaats, bij het begin en aan het einde van het gebruik van het blad;

c) nummer van de kentekenplaat van het voertuig waarop hij werkt, vóór de eerste rit die op het blad wordt geregistreerd, en vervolgens, indien van voertuig wordt gewisseld, tijdens het gebruik van het blad;

d) kilometerstand:

- vóór de eerste rit die op het blad wordt geregistreerd,

- aan het einde van de laatste rit die op het registratieblad wordt geregistreerd,

- indien van voertuig wordt gewisseld gedurende de werkdag (kilometerteller van het gebruikte voertuig en kilometerteller van het voertuig dat zal worden gebruikt),

e) eventueel het tijdstip waarop van voertuig wordt gewisseld.

6. Het apparaat moet zodanig zijn ontworpen dat de met de controle belaste ambtenaren, eventueel na opening van het apparaat, de gegevens die zijn geregistreerd tijdens de negen uur voorafgaand aan het uur van de controle, kunnen aflezen zonder het blad blijvend te vervormen, beschadigen of verontreinigen.

Het apparaat moet bovendien zo zijn ontworpen dat zonder opening van de kast kan worden gecontroleerd of de registraties plaatsvinden.

7. De bestuurder moet op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren de registratiebladen kunnen tonen voor de lopende week, en in elk geval het blad van de laatste dag van de voorafgaande week waarin hij heeft gereden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen