Art. 16
1. Bij uitvallen of gebrekkige werking van het apparaat moet de werkgever het door een erkende installateur of een erkende werkplaats laten herstellen zodra de omstandigheden dit toelaten.
Indien het voertuig pas na meer dan een week na het uitvallen van het apparaat of het constateren van de gebrekkige werking op de vestigingsplaats kan terugkeren, moet de herstelling onderweg worden uitgevoerd.
De Lid-Staten kunnen in het kader van artikel 19 bepalen dat de bevoegde instanties het gebruik van het voertuig kunnen verbieden, indien het uitvallen of de gebrekkige werking van het apparaat niet overeenkomstig het hierboven bepaalde wordt verholpen.
2. Gedurende de tijd dat het apparaat niet of gebrekkig werkt, moeten de bestuurders de gegevens betreffende de tijdgroepen, voor zover het apparaat deze niet meer correct registreert, op het (de) registratieblad(en) of op een bij het registratieblad te voegen bijzonder blad aanbrengen.