Art. 6 Verordening (EEG) nr. 2057/82
1. Bij de aanlanding na iedere reis verstrekt de kapitein van een vissersvaartuig dat een lengte over alles heeft van meer dan 10 meter en dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd, of diens gemachtigde, aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt, een verklaring voor de juistheid waarvan uitsluitend de kapitein verantwoordelijk is en waarin hij ten minste voor ieder bestand of iedere groep bestanden waarvoor een TAC geldt de aangevoerde hoeveelheden vermeldt onder opgave van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC is vastgesteld en wordt beheerd. Ingeval de vangsten hebben plaatsgevonden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, dient deze informatie afzonderlijk te worden opgenomen met verwijzing naar de wateren van elk van de betrokken derde landen.
2. De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om de juistheid van de krachtens lid 1 verstrekte verklaringen na te gaan. Artikel 7
Onverminderd artikel 6 doet de kapitein van een in artikel 1 bedoeld vissersvaartuig, die
- vangsten van een bestand of groepen bestanden waarvoor een TAC geldt overlaadt op een ander vaartuig, ongeacht de losplaats, of
- dergelijke vangsten rechtstreeks buiten het grondgebied van de Gemeenschap aan land brengt,
bij het overladen of het lossen aan de Lid-Staat waarvan zijn vaartuig de vlag voert of alwaar het is geregistreerd, mededeling van de betrokken soorten en hoeveelheden, alsmede van de datum van overladen of lossen en van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC is vastgesteld en wordt beheerd. Ingeval de vangst heeft plaatsgevonden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, dient deze informatie afzonderlijk te worden opgenomen met verwijzing naar de wateren van elk van de betrokken derde landen.