Art. 2 Verordening (EEG) nr. 2057/82
1. De in artikel 1 bedoelde inspectie wordt door elke Lid-Staat voor eigen rekening uitgevoerd en wordt verricht door door deze Lid-Staat aangestelde inspecteurs.
Bij de uitvoering van deze taak moeten de Lid-Staten erop toezien dat de in artikel 1 bedoelde bepalingen en maatregelen worden nageleefd. Bovendien moeten zij daarbij zodanig tewerk gaan dat de normale visserijactiviteit niet nodeloos wordt gehinderd. Zij moeten er tevens voor zorgen dat bij de inspectie niet discriminerend wordt opgetreden ten aanzien van de verschillende sectoren en vaartuigen.
2. De personen die verantwoordelijk zijn voor de vissersvaartuigen die worden geïnspecteerd, verlenen hun medewerking aan inspecties overeenkomstig lid 1.