Art. 31 Eerste Richtlijn 79/267/EEG

Eerste Richtlijn 79/267/EEG

1. a ) Behoudens sub b ) mogen de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren de in de bijlage van de eerste coordinatierichtlijn " schadeverzekering " bedoelde werkzaamheden op het grondgebied van een Lid-Staat niet gelijktijdig uitoefenen met de onder deze richtlijn vallende werkzaamheden .

b) Behoudens sub c ) mogen de Lid-Staten bepalen dat de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren die bij de kennisgeving van deze richtlijn deze twee werkzaamheden op het grondgebied van een Lid-Staat gelijktijdig uitoefenen , deze daar kunnen blijven uitoefenen , mits zij overeenkomstig artikel 14 een gescheiden beheer voeren voor elk van deze werkzaamheden .

c) Elke Lid-Staat die uit hoofde van artikel 13 , lid 6 , sub a ) of b ) , de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen verplicht heeft een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van de werkzaamheden die zij bij de kennisgeving van deze richtlijn verrichtten , moet deze verplichting ook opleggen aan de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren die op zijn grondgebied zijn gevestigd en aldaar de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefenen .

d) De Lid-Staten mogen bepalen dat de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren waarvan het hoofdkantoor de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefent en die bij de kennisgeving van deze richtlijn op het grondgebied van een Lid-Staat uitsluitend de in deze richtlijn bedoelde werkzaamheden uitoefenen , hun werkzaamheden kunnen blijven verrichten . Indien de onderneming de in de eerste coordinatierichtlijn " schadeverzekering " bedoelde werkzaamheden op dit grondgebied wil uitoefenen , mag zij de in deze richtlijn genoemde werkzaamheden nog slechts verrichten via een dochteronderneming .

2. De artikelen 23 en 24 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren .

Voor de toepassing van artikel 24 wordt de toezichthoudende autoriteit die de totale solvabiliteit van deze agentschappen of bijkantoren controleert , gelijkgesteld met de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat van het hoofdkantoor .

3. Bij intrekking van de vergunning door de in artikel 30 , lid 2 , bedoelde autoriteit , stelt deze de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de onderneming werkzaam is , hiervan in kennis ; deze autoriteiten treffen de nodige maatregelen . Wanneer het besluit tot intrekking is gebaseerd op de ontoereikendheid van de solvabiliteitsmarge berekend volgens artikel 30 , punt 1 , sub a ) , trekken ook de toezichthoudende autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten hun vergunning in .

Vorige artikelen

Volgende artikelen