Art. 26 Eerste Richtlijn 79/267/EEG
1. De bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op wiens grondgebied het hoofdkantoor van de onderneming is gevestigd , kan de door haar verleende vergunning intrekken wanneer de onderneming :
a) niet meer voldoet aan de toegangsvoorwaarden ;
b) er niet in geslaagd is om binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen waarin het in artikel 24 bedoelde sanerings - of financieringsplan voorziet ;
c) ernstige in gebreke blijft ten aanzien van de krachtens de nationale wettelijke regeling op haar rustende verplichtingen .
Wanneer de vergunning wordt ingetrokken stelt de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat van het hoofdkantoor de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten die de onderneming eveneens hebben toegelaten , daarvan in kennis ; deze gaan eveneens over tot intrekking van de door hen verleende vergunning . Zij neemt in samenwerking met deze autoriteiten alle maatregelen om de belangen van de verzekerden te beschermen en beperkt met name de vrije beschikking over de activa van de onderneming wanneer een dergelijke beperking nog niet uit hoofde van artikel 24 , leden 1 en 3 , tweede alinea , is opgelegd .
2. De vergunning die is verleend aan de agentschappen of bijkantoren van ondernemingen wier hoofdkantoor zich in een andere Lid-Staat bevindt , kan worden ingetrokken wanneer het agentschap of het bijkantoor :
a) niet meer voldoet aan de toegangsvoorwaarden ;
b) ernstig in gebreke blijft ten aanzien van de verplichtingen welke voortvloeien uit de nationale wettelijke regeling van de Lid-Staat waar het werkzaam is , met name wat betreft de vorming van de in artikel 17 bedoelde voorzieningen .
Alvorens de toezichthoudende autoriteiten van de Lid-Staat waar de onderneming werkzaam is tot intrekking van de vergunning overgaan , raadplegen zij de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat van het hoofdkantoor van de onderneming . Indien zij het noodzakelijk achten de werkzaamheid van deze agentschappen of bijkantoren te schorsen voor de afloop van deze raadpleging , stellen zij genoemde autoriteit hiervan onmiddellijk in kennis .
3. Elk besluit tot intrekking van de vergunning of tot schorsing van de werkzaamheid moet nauwkeurig met redenen zijn omkleed en officieel ter kennis van de betrokken onderneming worden gebracht .
Iedere Lid-Staat voorziet in de mogelijkheid van beroep tegen een dergelijk besluit bij een rechterlijke instantie .