Art. 35 Eerste Richtlijn 79/267/EEG
Voor een overeenkomstig artikel 13 , lid 5 , opgerichte dochteronderneming , mag het minimum van het garantiefonds voor de helft bestaan uit een door de moedermaatschappij onder de volgende voorwaarden verstrekte onherroepelijke financiële waarborg :
a) ten minste 95 % van het maatschappelijk kapitaal van de dochteronderneming moet in het bezit zijn van de moedermaatschappij ,
b) niet-gestort maatschappelijk kapitaal mag niet worden gebruikt om die helft van het minimum van het garantiefonds te vormen , die niet wordt gedekt door de onherroepelijke financiële waarborg , en
c) de moedermaatschappij moet voldoen aan de financiële voorwaarden van zowel de eerste coordinatierichtlijn " schadeverzekering " als die van deze richtlijn , waarbij de middelen die overeenstemmen met de verleende waarborg niet tot het vrije vermogen van deze moedermaatschappij worden gerekend .
Deze regeling geldt gedurende een periode van zeven jaar te rekenen vanaf de datum van toekenning . Gedurende deze periode moet de dochteronderneming , uiterlijk met ingang van het derde jaar , de waarborg van de moedermaatschappij geleidelijk vervangen door vrij vermogen . De dochteronderneming legt hiertoe aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit tegelijkertijd met haar aanvraag voor een vergunning , een plan ter fiattering voor .