Art. 27 Eerste Richtlijn 79/267/EEG
1. Voor iedere onderneming waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gevestigd , stelt elke Lid-Staat de toegang op zijn grondgebied tot de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden afhankelijk van een vergunning .
2. De Lid-Staat mag een vergunning verlenen , indien de onderneming ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) zij moet bevoegd zijn tot het verrichten van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden krachtens de nationale wetgeving waaronder zij ressorteert ;
b) zij moet een agentschap of bijkantoor op het grondgebied van deze Lid-Staat oprichten ;
c) zij moet zich verbinden ter zetel van het agentschap of het bijkantoor een specifieke boekhouding te voeren voor de werkzaamheden die zij aldaar uitoefent en er alle bescheiden met betrekking tot de behandelde zaken te bewaren ;
d) zij moet een algemeen gevolmachtigde aanwijzen , die door de bevoegde autoriteit moet worden toegelaten ;
e) zij moet in de Lid-Staat van bedrijfsuitoefening over activa beschikken , welke ten minste de helft van het in artikel 20 , lid 2 , sub a ) , voor het garantiefonds aangegeven minimum dienen te bedragen , en een vierde gedeelte van dit minimum bij wijze van waarborg deponeren ;
f) zij moet zich verbinden een solvabiliteitsmarge te handhaven overeenkomstig artikel 29 ;
g) zij moet een programma van werkzaamheden overeenkomstig artikel 11 , leden 1 en 2 , overleggen .