Art. 9 Richtlijn 75/362/EEG
1. Elke Lid-Staat erkent , ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten welker diploma's , certificaten en andere titels niet beantwoorden aan het geheel der minimumopleidingseisen bedoeld in artikel 1 van Richtlijn nr . 75/363/EEG , als genoegzaam bewijs de voor de inwerkingtreding van genoemde richtlijn door die Lid-Staten afgegeven diploma's , certificaten en andere titels , indien deze vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat deze onderdanen de bedoelde werkzaamheden gedurende ten minste drie jaren achtereen tijdens de vijf jaren die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan daadwerkelijk en op wettige wijze hebben verricht .
2. Elke Lid-Staat erkent , ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten welker diploma's , certificaten en andere titels van specialist niet voldoen aan de minimumopleidingseisen bedoeld in de artikelen 2 , 3 , 4 en 5 , van Richtlijn nr . 75/363/EEG , de door de Lid-Staten voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn nr . 75/363/EEG , afgegeven diploma's , certificaten en andere titels als genoegzaam bewijs . Hij kan evenwel verlangen , dat eerstgenoemde diploma's , certificaten en andere titels vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteiten of instanties van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven bewijsstuk , waaruit blijkt dat de arts de betrokken werkzaamheden als specialist heeft uitgeoefend gedurende een periode die gelijk is aan tweemaal het verschil tussen de duur van de gespecialiseerde opleiding in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst , en de minimumopleidingsduur , bedoeld in Richtlijn nr . 75/363/EEG , indien deze diploma's , certificaten en andere titels niet voldoen aan de minimumopleidingsduur , genoemd in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn nr . 75/363/EEG .
Indien evenwel in de ontvangende Lid-Staat voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige richtlijn een minimumopleidingsduur wordt vereist welke korter is dan die , bedoeld in de artikelen 4 en 5 , van Richtlijn nr . 75/363/EEG , kan voor het in de eerste alinea bedoelde verschil slechts worden uitgegaan van de in die Lid-Staat bepaalde minimumduur van de opleiding .
3. Elke Lid-Staat erkent , ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten welker diploma's , certificaten en andere titels van specialist niet in overeenstemming zijn met de in de artikelen 5 en 7 voorkomende benamingen , de door de Lid-Staten afgegeven diploma's , certificaten en andere titels als genoegzaam bewijs , indien deze zijn vergezeld van een door de bevoegde autoriteiten of organisaties afgegeven gelijkwaardigheidsverklaring .
4. De Lid-Staten die voor de kennisgeving van deze richtlijn hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het afgeven van diploma's , certificaten en andere titels op het gebied van zenuw - en zielsziekten , huid - en geslachtsziekten of radiologie hebben afgeschaft en die voor de kennisgeving van deze richtlijn ten gunste van hun eigen onderdanen maatregelen inzake verworven rechten hebben getroffen , kennen aan de onderdanen van de Lid-Staten het recht toe , in aanmerking te komen voor toepassing van dezelfde maatregelen , voor zover hun diploma's , certificaten en andere titels op het gebied van zenuw - en zielsziekten , huid - en geslachtsziekten of radiologie , voldoen aan de voorwaarden die dienaangaande zijn gesteld , hetzij in de artikelen 2 en 5 van Richtlijn nr . 75/363/EEG , hetzij in lid 2 van dit artikel .