Art. 11 Richtlijn 75/362/EEG

Richtlijn 75/362/EEG

1. De ontvangende Lid-Staat die van zijn onderdanen voor de eerste toegang tot een van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden een bewijs inzake goed gedrag of betrouwbaarheid verlangt , aanvaardt voor de onderdanen der overige Lid-Staten als genoegzaam bewijs een door een bevoegde instantie van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst afgegeven verklaring , waaruit blijkt dat aan de in deze Lid-Staat voor de eerste toegang tot de betrokken werkzaamheid gestelde voorwaarden inzake goed gedrag en betrouwbaarheid is voldaan .

2. Indien de Lid-Staat van oorsprong of herkomst voor de eerste toegang tot de betrokken werkzaamheid geen bewijs inzake goed gedrag of betrouwbaarheid verlangt , kan de ontvangende Lid-Staat van de onderdanen van deze Lid-Staat van oorsprong of herkomst een uittreksel uit het strafregister verlangen of , bij gebreke daarvan , een door een bevoegde instantie van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst afgegeven gelijkwaardig document .

3. Indien de ontvangende Lid-Staat kennis heeft van ernstige en nauwkeurige feiten die buiten zijn grondgebied hebben plaatsgevonden en van invloed kunnen zijn op de toegang tot de desbetreffende werkzaamheid , kan hij de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst daarvan op de hoogte stellen ; laatstgenoemde gaat de juistheid van de feiten na .

Deze feiten worden beoordeeld door de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong of herkomst , die de consequenties die zij daaruit trekt ten aanzien van de door haar afgegeven verklaringen of documenten , ter kennis van de ontvangende Lid-Staat brengt .

De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de inhoud van de toegezonden inlichtingen geheim blijft .

Vorige artikelen

Volgende artikelen