Art. 26 Eerste Richtlijn 73/239/EEG
1. De ondernemingen die , nadat zij in een Lid-Staat zijn toegelaten , in een of meer andere Lid-Staten een vergunning verkrijgen om aldaar andere agentschappen of bijkantoren op te richten , kunnen om een of meer van de volgende voordelen verzoeken :
a) dat de in artikel 25 bedoelde solvabiliteitsmarge wordt berekend op basis van het geheel van de werkzaamheden die zij binnen de Gemeenschap uitoefenen ; in dit geval worden in aanmerking genomen de premies of bijdragen en schaden welke verband houden met de verrichtingen van alle binnen de Gemeenschap gevestigde agentschappen of bijkantoren ;
b) dat zij worden vrijgesteld van de in artikel 23 , lid 2 , sub e ) , vervatte verplichtingen om eveneens in deze Staten de vereiste waarborg te storten ;
c) dat de activa welke tegenover het garantiefonds staan , gelokaliseerd mogen zijn in onverschillig welke van de Lid-Staten waar zij werkzaam zijn .
2. Indien dit verzoek van ondernemingszijde door ten minste twee betrokken Lid-Staten geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd , oefent de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op wiens grondgebied zich de oudste vestiging van de verzoekster bevindt , controle uit op de solvabiliteit van deze onderneming voor het geheel van haar werkzaamheden , verricht binnen de Lid-Staten die het verzoek hebben ingewilligd . Op verzoek van de onderneming en met algemene instemming van de betrokken Lid-Staten kan deze controle evenwel worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit van een andere Lid-Staat . De autoriteit die de controle uitoefent , ontvangt daartoe de nodige inlichtingen van de andere Lid-Staten met betrekking tot de op hun grondgebied gevestigde agentschappen of bijkantoren .
3. De bij dit artikel verleende voordelen kunnen op initiatief van één of meer van de betrokken Lid-Staten worden ingetrokken .