Art. 30 Eerste Richtlijn 73/239/EEG
1. De Lid-Staten laten aan de in titel II bedoelde ondernemingen , die op het tijdstip van inwerkingtreding van de maatregelen tot uitvoering van deze richtlijn in één of meer van de in artikel 1 bedoelde branches werkzaam zijn op hun gebied , een termijn van vijf jaar , aanvangende op het tijdstip van kennisgeving van de richtlijn , om aan de voorwaarden van de artikelen 16 en 17 te voldoen .
2. Bovendien kunnen de Lid-Staten :
a) aan de in lid 1 bedoelde ondernemingen die na het verstrijken van de termijn van vijf jaar de solvabiliteitsmarge nog niet volledig hebben bereikt , een aanvullende termijn van ten hoogste twee jaar toestaan , mits deze ondernemingen de maatregelen welke zij zich voorstellen te nemen om de marge te bereiken , overeenkomstig artikel 20 aan de toezichthoudende autoriteit ter goedkeuring hebben voorgelegd ;
b) de in het eerste lid genoemde ondernemingen die na het verstrijken van de termijn van vijf jaar niet een jaarlijkse premie - of bijdrage-incasso bereiken , gelijk aan het zesvoudige van het in artikel 17 , lid 2 , bedoelde minimumgarantiefonds , voor het einde van het boekjaar waarvoor de premies of bijdragen ten minste overeenkomen met het zesvoudige van het bedrag van het garantiefonds , ontheffen van de verplichting dit fonds te vormen . Aan de hand van de uitkomsten van het in artikel 33 bedoelde onderzoek zal de Raad , op voorstel van de Commissie , met eenparigheid van stemmen besluiten op welk tijdstip de Lid-Staten deze ontheffing moeten afschaffen .
3. Ondernemingen die hun werkzaamheden willen uitbreiden , als bedoeld in artikel 8 , lid 2 , of in artikel 10 , dienen evenwel onverwijld aan de in de richtlijn vervatte voorschriften te voldoen . De in lid 2 , sub b ) , bedoelde ondernemingen die hun werkzaamheden binnen het nationale grondgebied uitbreiden tot andere branches of tot andere delen van dat grondgebied kunnen echter gedurende eer termijn van tien jaar , te rekenen vanaf de kennisgeving van deze richtlijn , worden ontheven van de verplichting , het in artikel 17 , lid 2 , bedoelde minimumgarantiefonds te vormen .
4. De ondernemingen die een andere rechtsvorm hebben dan de in artikel 8 genoemde , mogen gedurende drie jaar na de kennisgeving van deze richtlijn hun huidige werkzaamheden in de rechtsvorm die zij op het ogenblik van deze kennisgeving bezitten , blijven uitoefenen . De ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk zijn opgericht bij " Royal Charter " , bij " Private Act " of " Special Public Act " mogen hun bedrijf in hun huidige vorm voor onbepaalde tijd voortzetten .
De ondernemingen die in België , overeenkomstig hun doel , hypothecaire leningen bij interventie verstrekken , of spaarbankwerkzaamheden verrichten overeenkomstig artikel 15 , 4 * , van de bepalingen betreffende de controle op de private spaarkassen , die zijn gecoordineerd bij het Koninklijk Besluit van 23 juni 1967 , kunnen hiermee gedurende drie jaar na de kennisgeving van de richtlijn voortgaan .
De betrokken Lid-Staten maken een lijst op van deze ondernemingen , welke zij ter kennis brengen van de andere Lid-Staten en van de Commissie .
5. Op verzoek van de ondernemingen die aan de in de artikelen 15 , 16 en 17 gestelde verplichtingen voldoen , maken de Lid-Staten een einde aan de beperkende maatregelen zoals krachtens de huidige regeling gestelde hypotheken , depots of zekerheid .