Art. 6 Verordening (EEG) nr. 1411/71

Verordening (EEG) nr. 1411/71

1. In de Gemeenschap mag melk slechts dan voor onmiddellijke consumptie worden geleverd , indien deze melk aan de eisen die aan consumptiemelk worden gesteld , voldoet .

2. Tot en met 31 december 1973 kunnen de Lid-Staten evenwel de op hun grondgebied bij de inwerkingtreding van deze verordening geldende voorschriften voor het minimumvetgehalte van de aan de consument te leveren volle melk handhaven ; overigens zijn de voor volle melk geldende bepalingen van toepassing op deze melk .

3. Voor die gebieden , waar het natuurlijke vetgehalte van de geproduceerde melk minder dan 3,50 % bedraagt en waarin een verhoging van het in artikel 3 , lid 1 , sub b ) , voor volle melk bedoelde vetgehalte ten gevolge van een tekort aan van de melk afkomstig vet van passende kwaliteit moeilijkheden met zich medebrengt , kunnen de Lid-Staten , in afwijking van bovengenoemde bepalingen , toestaan dat de in deze gebieden geproduceerde melk daar als volle melk wordt verkocht . Aan deze melk mag geen vet worden onttrokken ; zij moet een vetgehalte van ten minste 3,20 % hebben .

Overigens zijn voor deze melk de voor volle melk geldende bepalingen van toepassing .

De Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken , delen aan de Commissie mede voor welke gebieden zij deze maatregel hebben toegestaan .

4. In afwijking van artikel 3 , lid 4 , tweede alinea , kunnen de Lid-Staten voor hun grondgebied de bij de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing zijnde nationale regelingen betreffende het verrijken van magere melk en halfvolle melk met bestanddelen van de vetvrije droge stof van melk verder toepassen .

De verrijking dient op de verpakking te worden vermeld .

5. Voor de handel met derde landen kunnen volgens de procedure van artikel 30 van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 bijzondere voorschriften worden vastgesteld , die afwijken van het bepaalde in de onderhavige verordening .