Art. 44 Verordening (EEG) nr. 1408/71, Algemene bepalingen inzake de vaststelling van uitkeringen wanneer de werknemer aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest
1. Het recht op uitkeringen van een werknemer of van diens nagelaten betrekkingen wordt, zo deze werknemer onderworpen is geweest aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, overeenkomstig dit hoofdstuk vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 49 moet ten aanzien van alle wettelijke regelingen waaraan de werknemer onderworpen is geweest, worden overgegaan tot vaststelling van de uitkeringen zodra door de betrokkene een daartoe strekkend verzoek is gedaan. Van deze regel wordt slechts afgeweken, indien de betrokkene nadrukkelijk verzoekt de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen, welke op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, uit te stellen, en voor zover de krachtens deze wettelijke regeling of wettelijke regelingen vervulde tijdvakken niet in aanmerking worden genomen bij het verkrijgen van het recht op uitkering in een andere Lid-Staat.
3. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op pensioenverhogingen of toeslagen op pensioenen voor kinderen, noch op wezenpensioenen, welke overeenkomstig hoofdstuk 8 worden toegekend.