Art. 47 Verordening (EEG) nr. 1408/71, Aanvullende bepalingen ter berekening van de uitkeringen
1. De berekening van het in artikel 46, lid 2, sub a), bedoelde theoretische bedrag vindt als volgt plaats:
a) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een gemiddeld loon, van een gemiddelde premie of bijdrage, van een gemiddelde verhoging of van de verhouding welke gedurende de tijdvakken van verzekering tussen het brutoloon van de betrokkene en het gemiddelde brutoloon van alle verzekerden met uitzondering van de leerlingen heeft bestaan, stelt deze gemiddelden of verhoudingsgetallen uitsluitend vast op grond van de krachtens de wettelijke regeling van genoemde Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van het door de betrokkene gedurende die tijdvakken genoten brutoloon;
b) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag der lonen, der premies of bijdragen of der verhogingen, stelt de lonen, de premies of bijdragen, of de verhogingen waarmede op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering rekening moet worden gehouden, vast op grond van het gemiddelde der lonen, der premies of bijdragen, of der verhogingen dat is geconstateerd over de tijdvakken van verzekering, welke krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld;
c) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een vast loon of een vast bedrag, beschouwt het loon of het bedrag waarmede op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering rekening moet worden gehouden, als zijnde gelijk aan het vaste loon of het vaste bedrag of eventueel aan het gemiddelde der vaste lonen of der vaste bedragen welke betrekking hebben op de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling;
d) het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat bij de berekening van de uitkeringen voor bepaalde tijdvakken wordt uitgegaan van het bedrag der lonen en voor andere tijdvakken van een vast loon of een vast bedrag, houdt voor de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering, rekening met de overeenkomstig dit lid, sub b) of c), vastgestelde lonen of bedragen, of, eventueel, met het gemiddelde van deze lonen of bedragen; indien bij de berekening van de uitkeringen voor alle tijdvakken welke krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, wordt uitgegaan van een vast loon of een vast bedrag, beschouwt het orgaan het loon waarmede op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering rekening moet worden gehouden, als zijnde gelijk aan het fictieve loon dat met dit vaste loon of dit vaste bedrag overeenkomt.
2. De voorschriften van de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake de aanpassing van de voor de berekening der uitkeringen in aanmerking genomen bestanddelen aan het loon- of prijsniveau zijn, in voorkomend geval, van toepassing op de bestanddelen waarmede het bevoegde orgaan van die Staat op grond van de krachtens de wettelijke regelingen van andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering overeenkomstig lid 1 rekening heeft gehouden.
3. Indien krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat bij de vaststelling van het bedrag van de uitkeringen rekening wordt gehouden met het bestaan van andere gezinsleden dan kinderen, moet het bevoegde orgaan van die Staat eveneens rekening houden met de gezinsleden van de betrokkene, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde Staat woonden.