Art. 41 Verordening (EEG) nr. 1408/71
1. Ingeval de invaliditeit van een werknemer, die uitkeringen op grond van de wettelijke regeling van een enkele Lid-Staat geniet, toeneemt, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) indien de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, niet aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat onderworpen is geweest, is het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Staat verplicht uitkeringen toe te kennen overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
b) indien de betrokkene sedert hij uitkeringen geniet, aan de wettelijke regeling van één of meer andere Lid-Staten onderworpen is geweest, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig de in artikel 37, lid 1, of artikel 40, lid 1, respectievelijk lid 2, bedoelde bepalingen, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit;
c) indien het totale bedrag der ingevolge sub b) verschuldigde uitkering of uitkeringen minder bedraagt dan het bedrag der uitkering welke de betrokkene voor rekening van het orgaan dat de uitkeringen voordien verschuldigd was, genoot, is bedoeld orgaan verplicht hem een aanvulling welke gelijk is aan het verschil tussen bedoelde bedragen, te verlenen;
d) indien in het sub b) bedoelde geval het ter zake van de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid bevoegde orgaan een Nederlands orgaan is en indien:
i) de aandoening welke de toeneming van de invaliditeit heeft veroorzaakt, dezelfde is als die welke aanleiding heeft gegeven tot het verlenen van uitkeringen krachtens de Nederlandse wettelijke regeling,
ii) deze aandoening een beroepsziekte is in de zin van de wettelijke regeling van de Lid-Staat, waaraan de betrokkene laatstelijk onderworpen was, en recht geeft op de in artikel 60, lid 1, sub b), bedoelde aanvulling, en
iii) de wettelijke regeling of de wettelijke regelingen waaraan de betrokkene, sedert hij uitkeringen geniet, onderworpen is geweest, een wettelijke regeling is of wettelijke regelingen zijn, welke in bijlage III bedoeld is of zijn,
zet het Nederlandse orgaan na de toeneming van de invaliditeit het verlenen van de oorspronkelijke uitkering voort en wordt de uitkering, welke verschuldigd is krachtens de wettelijke regeling van de laatste Lid-Staat, waaraan de betrokkene onderworpen was, verminderd met het bedrag van de Nederlandse uitkering;
e) indien de betrokkene in het sub b) bedoelde geval geen recht op uitkeringen voor rekening van het orgaan van een andere Lid-Staat heeft, is het bevoegde orgaan van de eerste Staat verplicht uitkeringen toe te kennen volgens de wettelijke regeling van deze Staat, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit en eventueel met inachtneming van artikel 38.
2. Ingeval de invaliditeit van een werknemer die uitkeringen geniet krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, toeneemt, worden hem uitkeringen toegekend overeenkomstig artikel 40, lid 1, daarbij rekening houdende met de toeneming van de invaliditeit.
Afdeling 4
Hervatting van uitkeringen na schorsing of intrekking - omzetting van invaliditeitsuitkeringen in ouderdomsuitkeringen