Art. 39 Verordening (EEG) nr. 1408/71, Vaststelling van uitkeringen
1. Het orgaan van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, stelt overeenkomstig deze wettelijke regeling vast, of de betrokkene voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen, eventueel met inachtneming van artikel 38.
2. De betrokkene die voldoet aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden, ontvangt de uitkeringen uitsluitend van bedoeld orgaan, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling.
3. De betrokkene die niet aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoet, wordt in het genot gesteld van de uitkeringen waarop hij krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat nog recht heeft, eventueel met inachtneming van artikel 38.
4. Indien de wettelijke regeling, welke overeenkomstig lid 2 of lid 3 moet worden toegepast, bepaalt dat bij het vaststellen van de hoogte der uitkeringen rekening moet worden gehouden met het bestaan van andere gezinsleden dan kinderen, houdt het bevoegde orgaan eveneens rekening met gezinsleden van de betrokkene die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, alsof zij op het grondgebied van de bevoegde Staat woonden.
Afdeling 2
Werknemers, die onderworpen zijn hetzij uitsluitend aan wettelijke regelingen volgens welke het bedrag der invaliditeitsuitkeringen afhankelijk is van de duur der verzekeringstijdvakken, hetzij aan wettelijke regelingen van dit type en van het in afdeling 1 bedoelde type