Rb. Alkmaar 27 januari 2011, ECLI:NL:RBALK:2011:BP3449
Eiseres was ten tijde van het intreden van haar arbeidsongeschiktheid zowel in Nederland als in het Verenigd Koninkrijk verzekerd. Omdat eiseres ten tijde van het intreden van haar arbeidsongeschiktheid evenwel werkzaamheden in loondienst uitoefende op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, is, gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Verordening (EEG) nr. 1408/71, de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk op haar van toepassing. Het Engelse orgaan heeft beoordeeld of, en vastgesteld vanaf welke datum, eiseres voldoet aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Verordening. Uit artikel 39, tweede lid, van de Verordening kan vervolgens worden afgeleid dat eiseres de uitkering ook uitsluitend van het in het eerste lid bedoelde (in dit geval: Engelse) orgaan volgens de door dat orgaan toegepaste wetgeving ontvangt. Omdat eiseres aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitkering naar Engels recht voldeed, kan niet op grond van artikel 39, derde lid, van de Verordening naar Nederlands recht een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden toegekend. Aan verweerder komt al met al niet de bevoegdheid toe overeenkomstig de in Nederland geldende wetgeving te beoordelen of eiseres ten tijde hier in geding in aanmerking komt voor een (aanvullende) WIA-uitkering. Hieruit volgt dat eiseres geen (aanvullende) arbeidsongeschiktheidsuitkering naar Nederlands recht toekomt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het in artikel 39, zesde lid, van de Verordening neergelegde regime uitsluitend van toepassing is op tijdens het ontvangen van een WW-uitkering ontstane arbeidsongeschiktheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl