Art. 5 Richtlijn 69/73/EEG
1. De bevoegde autoriteiten kunnen vergunning verlenen in alle gevallen waarin de regeling " actieve veredeling " kan bijdragen tot het scheppen van de meest gunstige voorwaarden voor de uitvoer van de door veredeling verkregen goederen , zonder dat daardoor de wezenlijke belangen van de producenten uit de Gemeenschap worden geschaad .
2. Tot het scheppen van de meest gunstige voorwaarden voor de uitvoer zonder de wezenlijke belangen van de producenten uit de Gemeenschap te schaden worden geacht bij te dragen die handelingen uit te voeren met toepassing van de regeling " actieve veredeling " , welke , al naar het geval , betrekking hebben op :
a) goederen die bestemd zijn voor de uitvoering van een overeenkomst tot loonveredeling , gesloten met een in een derde land gevestigd persoon ;
b) goederen die in de Gemeenschap niet beschikbaar zijn , hetzij omdat zij er niet of in onvoldoende hoeveelheid worden geproduceerd , hetzij omdat de leveranciers uit de Gemeenschap de bedoelde goederen niet binnen een redelijke termijn ter beschikking van de gebruiker kunnen stellen ;
c) goederen die noodzakelijkerwijs dienen te worden gebruikt om te verzekeren dat de bepalingen betreffende de bescherming van de industriële en commerciële eigendom in acht worden genomen ;
d) goederen die noodzakelijkerwijs dienen te worden gebruikt , omdat de in de Gemeenschap beschikbare goederen niet gebruikt kunnen worden , aangezien zij niet die eigenschappen bezitten welke , vooral gelet op de door de kopers van veredelingsprodukten kenbaar gemaakte verlangens , vereist zijn .
3. De bevoegde autoriteiten kunnen eveneens vergunning verlenen , wanneer zij vaststellen dat de in de Gemeenschap beschikbare goederen van gelijke kwaliteit niet kunnen worden gebruikt omdat hun prijs zodanig is dat daardoor de voorgenomen handelstransactie economisch onmogelijk wordt gemaakt .
4. De aanvrager moet op verzoek van de bevoegde autoriteiten en met inachtneming van de door deze autoriteiten vastgestelde bepalingen , alle inlichtingen verstrekken waarover hij beschikt en waardoor het bestaan van de in lid 2 en 3 bedoelde omstandigheden kan worden aangetoond .