ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046
Bij besluit van 7 juli 2022, aangevuld op 24 april 2023, heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van appellant 1 om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod, afgewezen. Bij besluit van 5 december 2022 heeft de minister een aanvraag van appellant 2 om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Deze uitspraak gaat in de eerste plaats over de vraag of het Unierecht, gelezen in samenhang met de uitleg daarvan in de arresten van het Hof van 6 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:540, en 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, zo moet worden uitgelegd dat dit zich ertegen verzet dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd indien daarin onmiddellijk de verwijdering voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld vanwege het risico op schending van het beginsel van non-refoulement. Daarnaast gaat deze uitspraak over de vraag of een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende derdelanders die, wegens een risico op schending van het non-refoulementbeginsel in het land van herkomst, voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd en geen verblijfsrecht krijgen, en gedurende een periode van minstens tien jaar alleen bij wijze van uitzondering aanspraak kunnen maken op elementaire voorzieningen, verenigbaar is met de Terugkeerrichtlijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2466
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1982:335
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2014:2453
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:218
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2020:579
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:432
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:799
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2022:913
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2023:540
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:78
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892