ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2060
Bij brieven van 21, 23 en 26 juli 2021 heeft de deken van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant [appellant] medegedeeld dat het dossier over een klacht tegen een advocaat alleen aan de Raad van Discipline wordt voorgelegd na betaling van € 50,-. In deze procedure heeft [appellant] bij de deken een klacht ingediend tegen een advocaat. Daarover heeft de deken op 21 juli 2021 een zogeheten dekenstandpunt ingenomen. Volgens de deken is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de advocaat. De klacht van [appellant] is daarom ongegrond. Daarbij heeft de deken aan [appellant] medegedeeld dat hij de klacht kan voorleggen aan de Raad van Discipline als hij het niet eens is met het dekenstandpunt en dat hij daarvoor een bedrag van € 50,- aan griffierecht moet betalen, zoals in artikel 46e van de Advocatenwet is bepaald. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de deken het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem wordt daarmee hem de toegang tot de rechter ontzegd. Daarnaast zijn de kosten voor de behandeling van de klacht door de Raad van Discipline onnodig hoog.
De uitspraak op rechtspraak.nl