ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2057
Bij brief van 6 december 2021 heeft de deken van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant een verzoek van [appellant] om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de deken geweigerd het verzoek om vrijstelling door te sturen naar de Raad van Discipline. Bij besluit van 11 januari 2022 heeft de deken van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In deze procedure heeft [appellant] een klacht ingediend over een advocaat bij de deken. Daarover heeft de deken op 24 november 2021 een zogeheten dekenstandpunt ingenomen. Daarbij heeft de deken het standpunt ingenomen dat de klachten van [appellant] ongegrond zijn. Daarbij heeft de deken aan [appellant] medegedeeld dat hij de klacht kan voorleggen aan de Raad van Discipline als hij het niet eens is met het dekenstandpunt en dat hij daarvoor een bedrag van € 50,- aan griffierecht moet betalen, zoals in artikel 46e van de Advocatenwet is bepaald. [appellant] betoogt dat hem feitelijk de toegang tot de rechter wordt ontzegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl