ABRvS 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2059

Bij brief van 11 november 2021 heeft de deken van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant zijn standpunt over een klacht van [appellant] tegen een advocaat kenbaar gemaakt. In deze procedure heeft [appellant] een klacht ingediend over een advocaat bij de deken. Daarover heeft de deken op 11 november 2021 een zogeheten dekenstandpunt ingenomen. Volgens de deken is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de advocaat. De klacht van [appellant] is daarom ongegrond. Daarbij heeft de deken aan [appellant] medegedeeld dat hij de klacht kan voorleggen aan de Raad van Discipline als hij het niet eens is met het dekenstandpunt en dat hij daarvoor een bedrag van € 50,- aan griffierecht moet betalen, zoals in artikel 46e van de Advocatenwet is bepaald. [appellant] heeft tegen het dekenstandpunt bezwaar gemaakt, omdat volgens hem de deken uitgaat van onjuiste feiten. De deken heeft dit bezwaar bij het besluit van 6 december 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen bezwaar en beroep mogelijk is tegen het dekenstandpunt. De rechtbank heeft dit besluit rechtmatig geacht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken