ABRvS 9 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0145

Hoewel het toepassingsbereik van richtlijnen 2003/86 en 2003/109 niet hetzelfde is, zijn beide richtlijnen van toepassing op onderdanen van derde landen, hebben beide tot doel de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten te bevorderen en leggen beide de lidstaten de verplichting op een stelsel in te voeren waarin onderdanen van derde landen aanspraak op een verblijfsvergunning hebben indien zij voldoen aan een aantal procedurele en materiële vereisten. Beide richtlijnen hebben voorts gemeen dat zij geen bepalingen over legesheffing bevatten en de lidstaten op dit punt derhalve beoordelingsbevoegdheid laten. Gelet op deze overeenkomsten tussen de richtlijnen, moet ervan worden uitgegaan dat de hiervoor in 1.4 weergegeven overwegingen van het HvJEU van overeenkomstige toepassing zijn binnen de context van richtlijn 2003/86. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een legesheffing van € 830,- het nuttig effect aan richtlijn 2003/86 ontneemt en in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel is. Dat het gerechtshof Amsterdam in voormeld arrest van 22 mei 2008 anders heeft overwogen, doet hieraan niet af, reeds omdat dit arrest van vóór het arrest van het HvJEU van 26 april 2012 is. De Rb. heeft niet onderkend dat zij art. 1, aanhef en onder s, sub 6°, aanhef en tweede gedachtenstreepje, van de Regeling, wegens strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel buiten toepassing had moeten laten en heeft derhalve de rechtsgevolgen van het op die bepaling gebaseerde besluit van 2 september 2009 ten onrechte in stand gelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen