Rb. Den Haag 12 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:12369
Beroep tegen het besluit van verweerder waarbij het bezwaar van eiseressen tegen de brief van verweerder, waarin hij heeft gereageerd op het verzoek van de burgemeester van Amsterdam om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid ten behoeve van eiseressen, niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder heeft terecht de burgemeester niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 Awb aangemerkt. De reactie van verweerder is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. De vraag ligt vervolgens voor of de brief van verweerder kan worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw en daarmee de vraag of met de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier sprake is van een adequate rechtsingang waarin vreemdelingen, ten aanzien van wie verweerder in reactie op een burgemeestersbrief heeft besloten geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om hen een verblijfsvergunning te verlenen, dit aan de orde kunnen stellen teneinde alsnog een dergelijke verblijfsvergunning te verkrijgen. Indien sprake is van een dergelijke rechtsingang, kan de brief van verweerder niet worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, Vw, waartegen eiseressen bezwaar konden maken. Nu het voldoen van leges voor eiseressen een dwingend vereiste vormt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een discretionaire vergunning en zij in het kader van die aanvraag bij een geslaagd beroep op de discretionaire bevoegdheid van verweerder niet in dezelfde rechtspositie kunnen worden gebracht als waarin zij zouden hebben verkeerd indien aan hen in reactie op de burgemeestersbrief terstond een discretionaire vergunning zou zijn verleend, is op die gronden het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een discretionaire vergunning onevenredig bezwarend te achten. Daarom is niet voorzien in een adequate bestuursrechtelijke rechtsgang, waarin eiseressen ten aanzien van wie verweerder in reactie op de burgemeestersbrief heeft bericht geen gebruik te zullen maken van zijn discretionaire bevoegdheid, dit aan de orde kunnen stellen teneinde alsnog een discretionaire vergunning te verkrijgen. Verweerder heeft daarom in reactie op het beroep van eiseressen op het legesvereiste en het verschil in rechtspositie indien zij een aanvraag tot het verlenen van een discretionaire vergunning zouden moeten indienen, niet kunnen volstaan met de verwijzing ter zitting naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2015. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2015 kennelijk het geval was, hebben eiseressen in onderhavige zaak aangetoond dat het voor hen onevenredig bezwarend zou zijn een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een discretionaire vergunning.
De uitspraak op rechtspraak.nl