Rb. Den Haag 22 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:15543

Restitutie leges mvv-aanvraag en aanvraag verblijfsvergunning regulier De rechtbank oordeelt dat er wel een wettelijke grondslag was voor legesheffing. Dat de Regeling op de consulaire tarieven, die ziet op de hoogte van de leges, wegens strijd met het Unierecht buiten toepassing had moeten worden gelaten, betekent niet dat ook de Rijkswet op de consulaire tarieven buiten toepassing had moeten worden gelaten. De rechtbank is verder van oordeel dat de hoogte van de (nieuwe) leges in de brief van 28 november 2012 met terugwerkende kracht vastgesteld kon worden. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op de consulaire tarieven volgt immers niet dat dit slechts in een algemene maatregel van bestuur of in een ministeriële regeling had gekund. De beroepsgrond dat een legesbedrag van € 225,-- nog steeds onevenredig hoog is en in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn, slaagt evenmin. De rechtbank volgt niet dat in het geheel geen leges zouden mogen worden geheven, en evenmin dat deze maximaal € 40,-- of dat bedrag vermeerderd met tweederde, zou mogen bedragen. Verweerder mocht de ingangsdatum van de verblijfsvergunning niet bepalen op de datum waarop de leges voor de verblijfsvergunning door eiser zijn betaald, nu is vastgesteld dat voor de aanvraag om een verblijfsvergunning na een mvv-aanvraag geen leges hoeven te worden betaald.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen